Enkele korte verhalen die Marjet door de jaren heeft geschreven.

Ze danste de trap af. Wat een heerlijke dag zou dit worden. De sneeuw bedekte de tuin en de stilte was overal. Zelfs in het huis. Ze drukte haar neus tegen de ruiten, maar er was niets te horen. Alleen de blijdschap zoemde door haar hoofd. Straks zou ze naar school gaan. Nog even wachten. Nog even kijken en luisteren. Naar het niets. Of toch. Boven hoorde ze gestommel. Haar moeder ging zich wassen en zou daarna snel naar beneden komen. Nu hoorde ze ook haar vader en broertje en zusje in de keuken. De hagelslag en het fluiten van de theeketel. Zij had al gegeten en haar brood was klaargemaakt. Ze moest nu toch echt gaan.

De weg naar school was kort en lang tegelijk. In de zomer bloeide de mais zo hoog dat je de huizen in de verte niet meer kon zien. Alleen de toren van de kerk stak boven de velden uit. Dat was op de terugweg. Tussen de bomen scheen de zon haar tegemoet. Het dorp opende zijn poorten en het fietsen viel steeds makkelijker. Naar huis. Meestal was daar weer de stilte waar ze naar verlangd had. Thee met koekjes. Mamma. Huiswerk. Wat eten we vanavond was het eerste dat ze altijd vroeg. En omdat ze honger had, net uit school, was het bijna altijd goed.

Vanavond moest haar broertje de tafel dekken. Slordig deed hij dat dacht ze. Haar moeder zette de pannen neer en iedereen kwam. Eten op het bord. Praten. Over alles wat in haar hoofd opkwam. Iedereen praatte door elkaar. Opwinding. Gelach. Soms de radio. De klok sloeg 18.18. Yoghurt met suiker.

De zes weken zomervakantie waren precies lang genoeg. De zon gloeide nog na toen ze terugkwam uit het zwembad. Hongerig en nat. Ze plofte neer in een tuinstoel en dronk een glas prik. Iedereen was er. Tevreden at ze een handje chips. Op zulke momenten smaakten die het lekkerst. Ze dacht na over morgen. Weer naar school. Een nieuwe pen en een nieuwe tas. Gelukkig wist ze al naast wie ze zou gaan zitten.

Het ziekenhuis. Pappa zat voorovergebogen op een stoel in de keuken. Tussen zijn knieën klemde hij een grote bak. Uit zijn neus drupte bloed. Heel regelmatig. Plop, plop. Hij zat daar nu al een kwartier, maar het bloeden hield niet op. Hoeveel bloed is er in een hoofd dacht ze. Daarom keek ze in de bak. En van de bak weer naar het hoofd. Er kon niet veel bloed meer in het hoofd zijn.

Het gezin was niet compleet. Op pappa’s stoel zat niemand. Mamma legde uit hoe het ging, met die buisjes en zo. Het meisje kneep haar neus stevig dicht en probeerde door haar mond te ademen. Het lukte niet. Ze raakte in paniek. Ze wist het nu zeker. Hij zou niet meer terugkomen. Hij zou doodgaan.

Zondag. Voor mamma een beschuit met kaas. Voor pappa een beschuit met suiker. Thee voor allemaal. En een bonbon. Iemand was jarig en ze kropen met z’n vijven in het grote bed. Zingen. Zo hard dat de buren het konden horen. Cado’s. Naar beneden waar de kamer vol hing met slingers en snel een tafel voor de presentjes werd ingericht. Vlug eten. Over een half uur komen opa en oma. Veel grote taarten die allemaal opaten. En ’s avonds dan nog friet met mayonaise en sla.

Herfst. Met de auto naar het bos. Windvlagen bliezen in haar gezicht. Ze had een warme jas aan en wanten. De bomen waren al kaal en het was zo koud dat het winter leek. Ze liep leunend tegen de wind. Haar benen kriebelden. De bomen leken dichtbij. Maar haar stappen konden de afstand niet overbruggen. Ze ging rennen. Hijgend de bomen tegemoet. Het maakte geen verschil. Voor eeuwig zou ze lopen en nooit de bomen bereiken. Waar de auto stond.

In de winter was het anders. De kou was zo snerpend dat je ook een sjaal om en een muts op moest. Julio Iglesias op de ijsbaan. De grote lampen verlichtten wat in de zomer de visvijver was. Iedereen was er. Vanavond was ze verliefd. Hij zou er ook zijn. Ze had haar Noren aangetrokken en schaatste rondjes. In de bochten beentje over. Het lukte haar niet. Hij kon het wel. Voorovergebogen soepel glijdend kwam hij haar voorbij. Een knipoog en weg was hij. Even maar.

Blij was altijd als ze haar schaatsen uit kon doen. Haar bevroren tenen in de koude schoenen. Snel naar huis. Haar handen tegen de verwarming. Dat was eigenlijk het lekkerste moment. De overgang van koud naar warm. Hete chocomel en naar bed.

In de lente was het weer anders. Pasen in Italië. Stil in haar bed hoorde ze de vogels en de krekels. Ze hoorde de zon schijnen en het gras drogen. Het zou een mooie dag worden. Volle geuren drongen haar kamer binnen. Vanuit haar bed keek ze naar buiten. De bergen in de verte hadden witte toppen.

De broodjes waren warm en het zwembad was nog leeg. Straks een wandeling naar de rivier. Van de ene op de andere steen dwars door het water. Haar broertje en zusje waren er beter in dan zij. Met haar voeten in het water droomde ze van de toekomst. De stilte was in en om haar.

Mamma. Ze zag de pijn in de ogen van haar moeder. Gesloopt was ze. In korte tijd een oude vrouw. Ze kon niets doen en dacht alleen dit gaat nooit meer over.

Bleek zag ze haar in het grote bed. Bang ook. Alsof ze er zeker van was dat het niet goed zou gaan. Van alle kanten bedreigd. Het meisje liep op het bed af. Ze omhelsde haar moeder. Maar kon haar niet bereiken.

Oma. Duizenden stukjes puzzel lagen op de tafel. Verstandige ogen zochten rustig zwijgend. De stilte hing in de kamer. Ze was tevreden. Af en toe een woord. Soms ook liepen ze samen. Het dorp in. Ze praatten dan heel eerlijk, want ze waren hetzelfde en begrepen elkaar. Zelfs met het huiswerk. De vrouw trok een streep en zei dit is de hypotenusa. Het meisje knikte. Zwijgend werkten ze verder. Snel. Met af en toe een woord.

Even had ze maar gehuild. Ze dacht aan haar moeder. En hoe het zou zijn als die dood zou gaan. Zo moest haar moeder zich nu voelen. Ze durfde niets te zeggen. Haar oma lag als een wassen pop. Geen rimpeltje, maar wel een beetje geel. Haar moeder sprak tegen de menigte. Ze huilde niet.

Studeren. In de trein naar huis veranderde in snel tempo het landschap. Steeds meer passagiers stapten uit en de harde Twentse stemmen in de coupé werden onontkoombaar. Het meisje keek naar buiten. Ze zag weilanden, bossen en boerderijen voorbijschieten. Naar het eindpunt. Enschede. De stilte tegemoet. Ze liep het perron af en zag haar vader. Thuis.

Zaterdag in Enschede. Ze zetten de auto op het vertrouwde plekje en liepen de stad in. De zon scheen. Ze hadden hun jassen niet aan hoeven trekken. De moeder en de dochter hand in hand. Na een paar uur honger. Freddy’s snackcorner. Of de croissanterie. Ze keken elkaar aan en wisten dat het goed was.

En ’s zondags wandelen. Het Haagse bos. De Paasberg. Of gewoon in Lonneker. De bladeren waren nog zwaar van de regen van de afgelopen nacht. Ze waren alleen in het bos. Af en toe een fietser. Het paadje was zo smal dat ze niet naast elkaar konden lopen. Over het bruggetje en langs het water. De laan stond aan weerszijden vol met rodondendrons. Een paarse zee die zich voor hen had geopend. In de verte een theehuisje en het park rond de tennisbanen. Langs het spoor liepen ze terug naar de auto.

Het toetje en vlug de tas inpakken. Om vijf over half acht moesten ze toch echt weg. Ze haalden het natuurlijk makkelijk. Een kus en nog één. Dat was het dan weer.

Ze voelde zich ziek. Niet in staat om op te staan. Maar vandaag had ze niets te kiezen. Het dekbed plakte om haar warme lichaam. In de kamer was het benauwd. De ramen waren dicht en de verwarming stond open. De vrouw in bed leek gezwollen door de hitte. Ze dacht aan vroeger, toen ze nog van de ochtenden gehouden had. De gele zon was voor haar een belofte geweest die de hele dag duurde. ’s Avonds had ze vaak staan kijken hoe de zon in een kersenrode gloed verdween. Genot en pijn smolten dan samen in de diepe rust van de nacht. De vrouw stond op en trok de gordijen open. Ze rilde. Het rode nachthemd stond haar goed. Ze keek in de spiegel en lachte naar zichzelf. Ze smeerde met rustige bewegingen haar boterhammen. Plotseling stond ze op. Ze deed haar jas aan en trok de deur achter zich dicht.

Iemand schudt me zachtjes door elkaar zodat ik wakker word. Het is mamma. Kijk de zon staat al hoog je moet naar school zegt ze. Ik spring uit bed. Het water voelt koud aan mijn gezicht. Beneden wacht mamma. Ze ruikt lekker. We eten samen boterhammen. Mamma ziet er moe uit. Ze zegt dat ik niet moet vergeten mijn tanden te poetsen. Ze geeft me een appel mee. Dag mam. Dag. Ik loop naar school. Het is niet ver bij ons vandaan. De struiken aan beide kanten van het pad zijn hoog. Ik ben niet te zien.

Bij elke auto of fiets die haar in de weg zat vloekte ze hardop. Haar ochtendziekte was nog niet over. Ze hield niet van al die mensen. Temidden van zovelen kon niemand iets zijn. Ze kwam maar langzaam vooruit. Op een bord boven de weg stond een waarschuwing. Het kon lang gaan duren. Ze besloot de trein te nemen. Bij een benzinepomp draaide ze om. De rivier dreigde buiten zijn oevers te raken.

Dag mam. Dag meisje. Hoe was het op school? Ik droom te veel volgens de meester, maar dat zeg ik niet. Buiten schijnt de zon en de sneeuwklokjes bloeien. Mamma kijkt blij. Ze maakt voor ons eieren met een oog. Ik dans voor haar. Mamma moet lachten. Ze stopt het oog in één keer in haar mond. Er loopt een straaltje geel langs haar lippen. Het lijkt wel een gele traan, maar haar ogen lachen. We gaan naar buiten. We hebben allebei een gele muts. De sneeuw is te hard, daarom gaan we lopen. Haar hand is warm. Ik vertel haar van vanochtend op school. Van de sneeuwklokjes en de zon. Eerst kijkt ze boos, daarna gaat ze lachen.

De man voor haar in de rij zag er onberispelijk uit. De scheiding in zijn haar zat net zo perfect als de plooien in zijn broek. Ze schatte hem midden veertig. Een gevaarlijke leeftijd. Alsof de man haar gedachten kon lezen draaide hij zich om en lachte naar haar. Ze schrok. Het waren zijn ogen.

Het was rustig in de trein. Ze hing haar jas op en ging zitten. Ondanks de kou buiten, plakte haar rok om haar benen. Het rode plastic broeide. Met haar tong bevochtigde ze haar droge lippen. Schuin tegenover haar zat een mooie blonde jongen. Hij droeg een zonnebril en een zwarte hoed. Ze voelde dat hij naar haar keek. Ze durfde niet naar hem te kijken. Ze merkte dat een zweetdruppel langs haar been gleed. Zenuwachtig staarde ze naar buiten. De hitte in de coupé verstikte haar bijna. Toen ze keek was hij verdwenen.

Pappa tilt me op en gooit me in het water. De zon schijnt. Iedereen lacht. Nog een keer. Nog een keer. Nu mamma roep ik. Ze is er niet. De anderen gaan bessen plukken en ik ga mamma zoeken. Het is groot. Ze is niet in de schuren en niet in het huis. Ik kijk bij de weilanden en in het bos. Dag mam. Dag meisje. Ik ben even bij de paarden gaan zitten. Zijn ze niet mooi en lief? Hier aai maar. Het is donker in de stallen. Ik kan haar haast niet zien. Ze klinkt niet blij. Ik dans voor haar totdat ze gaat lachen. Dan gaan we naar buiten. De zon schijnt nog steeds.

Eindelijk, ze was er. Met een schok kwam de trein tot stilstand. Buiten was de lucht grijs geworden en tikte de regen zachtjes tegen de ruiten. Zwarte tranen. Bij het verlaten van de trein ontstond een opstopping. Ze raakte bekneld tussen de mensen. Kleine zweetdruppeltjes liepen langs haar voorhoofd en slapen naar beneden. Ze wilde gillen en dacht aan die keer dat ze bijna gesprongen was. Aan die brug over de snelweg. Bijna gillen, bijna springen, maar nooit helemaal. Ze lachte een schelle lach. Een man keek haar vragend aan. Losgekomen uit de menigte liep ze met afgemeten passen over het perron en door de hal het station uit. “Ik, Armin Ashanti, ik heb nooit durven spreken omdat ik me schaamde voor alles, iedereen en mezelf. Maar nu zal ik de stilte doorbreken en de hele wereld zal me horen. Ik houd van God en God houdt van mij.” Ze vloekte. De man met de microfoon leek de koude regen niet te voelen. Zijn ogen straalden. Waar had ze dergelijke woorden eerder gehoord? Door mij ben je met God verbonden zei hij altijd tegen haar, Daar kon ze dan gerust op zijn. Haar zonden zouden straks zeker milder beoordeeld worden. Zondaars waren we immers allemaal. Zij samen. Zijn armen om haar schouders. Een aantrekkelijke man en een mooie vrouw. Ze dansten. Het licht van de maan weerspiegelde in het water. Een roos is een mooi cado. Alles wat je nu veracht zul je zelf eens doen. Je zult je er aan prikken.

Dag pap. Hij hoort me niet. Hij is niet alleen. De blonde vrouw is mooier en jonger dan mamma. Ze kijken naar elkaar en glimlachen. De zon schijnt op haar haren. Haar witte tanden blinken in haar rode mond. Ze lijkt wel een engel. Dag meisje, ga je mee kersen eten? vraagt de engel. Pappa knikt. Ik ga mee. De vrouw hangt kersen om haar oren en stopt ze in haar mond. Pappa hapt ernaar. De engel lacht. Een rood straaltje loopt uit haar mondhoek langs haar kin. Het lijkt wel een traan. We nemen een mand vol kersen mee voor mamma.

Het water van de rivier maakt veel lawaai. Dikke takken en stenen liggen op de bodem. Wij gooien kiezels vanaf de brug. De engel tilt me op zodat ik over de rand kan kijken. Ik zie de zon in het water.

Ze rilde. Het was zijn idee geweest om elkaar hier te ontmoeten. Ze zou zich op haar gemak voelen had hij gezegd. Verbonden. Ondanks alles was ze een half uur te vroeg. Ze was niet de enige, had hij gezegd, die zichzelf een verleden verweet.  Bovendien kon ze er nog wat van leren. Het om te zetten in creativiteit bijvoorbeeld. Extroverte mensen hadden altijd minder problemen. Misschien had hij gelijk. Ze opende de grote bronzen deuren en liep naar binnen. Haar omgeving goed in zich opnemend stak ze de binnenplaats over naar de hoge zaal. Deze was bekleed met rood en grijs marmer en adelaars in mozaïk. Ze warmde zich aan het vuur.

Het water van de rivier is blauw. Het is doodstil. Een vrouw staat op de brug. Ze kijkt in het water. In haar ogen brandt een donkergeel vuur.

Ze was zich er sterk van bewust dat alle aanwezigen naar haar keken. Ze zag er dan ook belachelijk uit. Haar rok en haar t-shirt plakten aan haar lijf. De vrouw leek wel opgezet door de hitte. De kunstenaar keek haar vriendelijk lachend aan. Een onverwerkt verleden dat niet eens het zijne was. Of het hare. Het was buiten hun schuld om tot stand gekomen. Maar beiden waren erdoor gemaakt. De schilder en zij. Hier raakten verleden, heden en toekomst elkaar. Urd, Wernandi, Skuld. Ze kende de verschillen tussen hen beiden. Wat zij had willen vergeten, rakelde hij op. Wat zij een stille dood wilde laten sterven, schreeuwde hij uit. Hij had geen schuld. Zij wel. De oorlog was voor hem als een moeder aan zijn wieg. Ze had hem gemaakt. Hij keek haar in de ogen en schrok. Toen begon hij te schreeuwen. Ze verloochende de schoot waaruit ze was geboren. Ze stopte haar hoofd onder de lakens. En probeerde te vergeten.

Toen ze naar buiten liep, lachte ze een ronde lach. De wind tilde haar rok op en haar witte tanden blonken in de zon. Het was te laat en ze wist het. Een man liep haar tegemoet. Hij was al ouder, kalend. Zijn ronde bril wipte op zijn wangen, terwijl hij haar toelachte. Ze sloeg haar armen om hem heen. Dag pap.Dag meisje.

Het huis is leeg. Gisteren zijn ze alles komen halen. We gaan verhuizen zegt pappa. Daarom loop ik door de gangen en raak alles nog één keer aan. Mamma is weg. Haar klerenkast is leeg en de boeken staan in dozen. Het is geen leuk gezicht. Dag meisje. Daar staat de engel. Ik schrik niet. Ze draagt kersen om haar oren. Ik hap erin. Ze kust me. Ze ruikt lekker als altijd. Pappa slaat zijn armen om ons heen. We lopen met z’n drieën naar buiten. De lucht is warm en de engel lacht. Ik voel me blij en tevreden. Op de brug kijken we hoe de zon langzaam in de rivier verdwijnt.

De thee was lauw geworden, merkte ze toen ze woedend en nerveus een slok nam. Ze verslikte zich. De man tegenover haar keek haar geïrriteerd aan. ‘Vraag ik je een keer mee, is het nog niet goed.’ ‘Nee, natuurlijk niet. Ik heb geen zin de hele week met je ex opgescheept te zitten. Dat snap je toch wel?’ ‘Niet de hele week. Ze wil je gewoon leren kennen en voor Boudewijn is het ook leuk als hij zijn ouders af en toe samen ziet.’ ‘Vast, maar waarom moet ik daar getuige van zijn? Ik kots ervan.’ ‘Nou, dan weet ik het goed gemaakt. Je gaat gewoon niet mee. Ik heb er sowieso geen zin meer in. Ik ga voor mijn rust. Jij kunt zo ongelofelijk zeuren. Graag of niet.’

Hij maakte aanstalten om op te staan. In het café was het rustig. Het was er eigenlijk te donker voor zo’n warme zomerse dag. De meeste mensen zochten verkoeling bij de terrassen aan het water. Niet hij. Zelfs op de warmste dagen wilde hij nog zoveel mogelijk kranten en tijdschriften lezen. Daarvoor kwam hij hier. En voor de bediening. De meisjes droegen lange witte schorten die van achteren waren dichtgeknoopt. In de zomer waren korte broekjes zichtbaar. Hij kon zijn ogen niet afhouden van die jonge ronde billen.

‘Hè, blijf nog even zitten. Laten we het uitpraten.’ ‘O nee, geen haar op mijn hoofd. Ik ben helemaal gespannen. Ik dacht dat ik je een plezier deed, maar heb me blijkbaar weer vergist. Ik wil er verder niet over praten. Ik heb hoofdpijn.’ ‘Dat meen je niet. We zitten hier nog maar net. Laten we dit afmaken. Ik kan het je precies uitleggen.’ ‘Daar heb ik geen behoefte aan. Ik heb hoofdpijn en diarree. Dank je wel.’

Hij claxonneerde drie keer lang en hard. Ze vloekte en pakte snel haar spullen. Ik kom eraan. Ze gooide haar rugzak op de achterbank en ging naast hem zitten. Hij trok op. ‘En, heb je nog met je elektrische tandenborstel gespeeld vanochtend.’ ‘Nee’ ‘Denk eraan, het is goed voor je. Je wordt er rustiger van. Je bent veel te gespannen en daarom word ik het ook.’ ‘Sex is niet de enige manier om rustig te worden.’ ‘Gaan we moeilijk doen?’ ‘Ik niet.’ ‘Nee, jíj niet. Jij bent zo pragmatisch. Idealisme is aan jou niet besteed.’ ‘Het is een generatiekloof. Twintigers zijn geboren met ironie in hun lijf. De zullen het wel uit hun hoofd laten om meta-moralistisch te zwammen.’ ‘Klein-burgerlijk zul je bedoelen. Weet je dat wij jullie generatie De Nieuwe Truttigheid noemen?’ ‘Wat is er mis met normen als rust en vertrouwen? Van seriële echtscheiding zijn jullie zeker gelukkig geworden? En anders jullie kinderen wel.’ ‘Dat vind ik onder de gordel. Waarom moet je zo persoonlijk worden?’ ‘God, doe niet zo dramatisch.’

De stemming zat er goed in. Waarom had ze in hemelsnaam besloten met hem mee te gaan? Ze deed haar ogen dicht en probeerde te reconstrueren hoe ze in deze situatie terecht was gekomen. ‘Leg je hand eens op mijn kruis. Voel je wat je nu weer gedaan hebt? Hoe krijg je dat toch iedere keer voor elkaar?’ ‘Ik ziet hier alleen maar. Sterker nog, ik probeer na te denken,’ ‘Weet je dat jij de geilste billen, borsten en dijen van de hele wereld hebt?’ ‘Is er wel eens een moment dat je niet wilt vrijen? Dat je niet aan vrijen denkt?’ ‘Haal ‘m er eens uit. Stop ‘m in je mond. Doe niet zo bangig. Niemand kijkt.’

Ze kijkt om zich heen. Het is nog vroeg. Bovendien is het zomervakantie. Weinig vrachtwagens op de weg. Die kunnen van boven naar binnen kijken. Het schaamrood op de kaken. Ze draait zich willoos naar hem toe en zoekt met haar hand zijn gulp. Hij kreunt en gaat verzitten zodat zij er makkelijker bij kan. Zijn handen hard om het stuur. Ze buigt haar hoofd en proeft. Een siddering gaat door hem heen. Ze omklemt hem nu met haar rechterhand. Haar linker aait zacht over zijn buik. Met haar tong draait ze kleine rondjes. De auto slingert. ‘Jezus, wat ben jij een geil wijf.’

Geen lange rijen gelukkig. De brand heeft de toeristen waarschijnlijk afgeschrikt. Ook daarvoor al had het haar trouwens een hachelijke onderneming geleken. Een tunnel onder de zee. Dat kon nooit goed gaan. Voor haar was beweging niet heilig. Niet iets waarvoor ze alles over had. Ze verafschuwde politici die spraken over mobiliteit als basis van economische groei. Zij zocht naar stilstand, harmonie. De auto reed zachtjes de kade af richting het grote gat. Ze deed haar ogen dicht en hoopte dat het snel voorbij zou zijn.

Aan de andere kant was alles anders. Behalve de zon. Ze namen de kustweg door kleine dorpen. Bruine stenen en rode daken. Weilanden met lage muurtjes en verdwaalde ezels. Kerkpleinen die deden denken aan haar geboorteplaats. Soms ging hij langzaam rijden, zodat ze alles goed konden bekijken. Het landschap. Zijn landschap. Van zijn achttiende tot zijn dertigste had hij hier gewoond. Het land van zijn moeder. Duizend verhalen had zij hem verteld en hij haar. Het zou niet lang meer duren. Bijna thuis.

De bomen in het park maakten een verdwaasde indruk. Te lang was het al warm en droog. De lange vrouw transpireerde niet. Naast haar liep een klein jongetje. Uitgelaten. Waar gaan we naar toe? Gaan we naar zee en gaan we ijs eten? Te veel vragen en geen antwoord. ‘Toe maar.’ Het pad van het park naar de zee was slecht onderhouden. Onkruid en wilde bloemen groeiden tussen de kiezels. Ze plukte achteloos een bos. De jongen liep voor haar uit. Achter een bal. Telkens als hij omkeek lachte hij naar haar.

Ze zat op een laag muurtje en keek naar beneden. Ze droeg een zwarte korte broek tot vlak boven haar knieën. Ze stak een been naar voren en draaide met haar voet. De gebronsde huis spande zich strak ronde de spieren.

Ze reden langs de zee. Het water klotste wit op het strand. Kleine meisjes onder vrolijk gekleurde parasollen. Beschermd tegen de zon. Oude dames in grote zwarte badpakken keken geamuseerd toe. Keurig gesneden boterhammen in een papieren boterhamzakje. De hagelslag al gesmolten door de zon. Ze pakte een pepermuntje uit het dashbordkastje.

‘Ik heb buikpijn.’ ‘Dan moet je vooral gaan snoepen.’ ‘Nee, echt. Ik zie er verschrikkelijk tegenop.’ ‘Alsjeblieft, niet weer. Denk aan Boudewijn, die zal het leuk vinden je te zien.’ ‘Het is jouw kind, niet het mijne. En bovendien, het gaat niet om hem, maar om haar. Dat heb ik je al duizend keer gezegd.’ ‘Inderdaad, te vaak.’

De hotelkamer voldoet aan de verwachtingen. Uitzicht op de zee vanaf een sierlijk balkon. In de verte op de boulevard wemelt het van de mensen. Een dagje naar het water, picknickmanden mee, de kinderen achter in de auto en zweten maar. Aan het einde van de pier schitterde de kermis. Een spookpaleis in zee. In de kamer is weinig te voelen van de drukkende hitte buiten. Ze sluit de gordijnen en laat zich op het bed vallen. In de hemel ziet ze zichzelf weerspiegeld. Ze roept hem en wijst lachend naar boven. Wat een grap. Ze kijkt in zijn ogen en raadt zijn gedachten. Eigenlijk is ze moe.

‘Hup, omhoog die kont. Ik wil je heupen voelen. De kousen van je benen stropen en mijn hoofd tussen je dijen tot rust laten komen. Maar eerst wil ik die kont zien in dat zwarte leren broekje met die rits. Dat heb je toch zeker wel meegenomen? Mijn God, ja, dat is wat ik bedoel. Kijk zelf ook eens. Ik bedoel in de spiegel. Kijk eens. Windt het je op? Wacht, ik ga achter je zitten. Laat me je voelen. Ik zal niet meteen in je komen. Nog even wachten. Sorry, ik hou het niet lang meer vol. Leidt me af alsjeblieft. Niet meebewegen. Leidt me af.’ Ze voelt het einde naderen en wiegt subtiel met haar heupen terwijl ze korte kreuntjes laat horen. Lang zal het nu niet meer duren.

De vrouw is op weg naar zee. In haar sterke armen draagt ze een kleine jongen. Hij pakt haar oor en drukt zijn neus in haar wang. Zijn knie bloedt. Hij is gestruikeld over de bal. Hij keek om, lachte en viel. Ze leidt hem af door te wijzen op de bloemen op het pad en de vogels in de struiken. De jongen lacht door zijn tranen heen en slaat zijn kleine armpjes stevig om haar nek.

De volgende ochtend worden ze vroeg wakker. De eetzaal is al vol. De versleten ober serveert eieren met bacon en toast. Ze drinken lauwe thee en vermaken zich over de lelijkheid van het interieur en de hotelgasten. Ongelukkige moeders met te veel kinderen. Zakenmannen die weten dat ze nooit meer echt een succes zullen behalen. Op elkaar uitgekeken echtparen.

Ze hadden ook bij haar kunnen logeren. In het huis dat eens van hem was geweest. Ze kreeg al buikpijn bij het idee. Zorgvuldig legt ze eerst de bacon en daarna de gebakken eieren op haar toast. Met haar mes snijdt ze de boterham in acht stukken. Na dertig keer kauwen slikt ze de hap met een slok thee door.

‘Wat kan jij toch dom kwaken.’ ‘Hoe kom je erbij? Ik zei toch duidelijk wat ik ervan vond?’ ‘Ja, voor de pauze vond je alles prachtig en na de pauze was het plotseling shit. Dat noem ik kwaken.’ ‘Je luistert niet naar me. Zal ik het nog een keer uitleggen?’ ‘Alsjeblieft niet.’

Ik ken haar. Van vroeger. De grote ogen kijken treurig. Ook toen al. Ze huilt niet. Nee, daarvoor is ze te veel één met haar verdriet. Haar lijfje is gespannen. De slordig rood geverfde haren raken haar schouders. Het korte rokje en kleine truitje verhullen weinig. De kralenketting accentueert haar blootheid. En dan die ogen.

‘We hebben toch niets meer. Waarom doe je zo jaloers?’ ‘Als we niets meer hebben, waarom zitten we hier dan?’ ‘Omdat we gewoon goede vrienden zijn.’ ‘Maar je weet best dat ik hoop op meer. Dat ik wacht tot je tot rust bent gekomen en voldoende tijd voor jezelf hebt gehad om na te denken.’ ‘En dan wat?’ ‘En dat je dan bij me terugkomt.’

Een modern gezinnetje stommelt het café binnen. Aardige ouders die hun uiterste best doen hun kinderen een plattelandsopvoeding te geven in de grote stad. Kleine klompjes, Oilily-jurkjes en mini-baseballpetjes. Ze kijkt me aan en lacht zacht.

Ze wil met me praten. Zegt ze. Ze moet me waarschuwen. Tegen hem. Ik schuif ongemakkelijk heen en weer op mijn stoel en raak haar knie. Hij houdt van stevige benen. Zij weet wat ik denk. We kennen hem allebei. Zijn voorkeur voor vrouwen met dikke billen en charmante lelijkheid. Borsten zeiden hem niet veel. Toen. Ik weet meer. Hoe mijn tieten hem kunnen troosten en verwennen. Dat hij verlangt uit te rusten op mijn prammen en gesmoord te worden tussen mijn mamma’s. Hij zoekt naar woorden om zijn nieuwste hobby in uit te drukken.

‘Hij zal je verlaten.’ Weet ze. ‘Hij heeft je nu nodig. Maar later niet meer.’ Hij houdt van vrijen. Raakt al opgewonden als ik mijn jasje uittrek. Als ik hem afwachtend aankijk. Zaadvragende ogen. Het liefst de hele dag. Lacht om de cijfers. Wij doen het gemiddels drie, vier keer per dag. Zij ook. Zeven jaar lang. Ze mist het. Kan niet meer slapen. Hij laat haar niet los. Mij ook niet. Hij zuigt zich vast. Wij zijn als één lichaam in dat grote bed.

‘Je moet gewoon wat meer genieten van het moment. Van de leuke dingen die we samen doen. Het is nu toch gezellig?’ ‘Maar ik zie de dingen graag in hun context. Met perspectief, met een toekomst.’ ‘Iedereen gaat toch een keer uit elkaar.’

Hij heeft niet veel ruimte. Maar wel plaats voor een ander. Zijn huis mist geen vrouw. Ook voor haar was hij niet alleen. Hij nodig uit. Is onweerstaanbaar. Ook ik heb niet nagedacht. Toen ik het opgaf. ‘Vergis je niet.’ Dringt ze aan. ‘Denk niet dat jij het kunt. Met hem leven.’ Ik laat hem zijn gang gaan. Als hij onbekenden naroept op straat. Als hij hardop vloekt in aangenaam gezelschap. Als hij huilt en zegt dat mijn buik van blubber is, dat ik egoïstisch ben en een trut. Want hij meent het niet.

‘Ik wil je iets vertellen. Ik heb vannacht iets bedacht. Jij zei gisterenavond toch dat alles voor niets is geweest als straks blijkt dat ik geen kinderen wil en jij dan bij mij weggaat. Daar heb ik nog eens over nagedacht. Ik vond het geen aardige opmerking. En ik ben het er ook niet mee eens. Als jij straks, om wat voor reden dan ook, bij mij weggaat, heb ik toch één van de mooiste jaren van mijn leven gehad.’ ‘Ik ga helemaal niet bij je weg.’ ‘Maar als dat gebeurt, heb ik toch geen spijt van ons.’ ‘Daar gaat het helemaal niet om. Het gaat er juist om dat ik bij je wil blijven. Kinderen met je wil krijgen en oud met je wil worden. En dat jij daar niet duidelijk over bent. Alleen over het zekere afscheid ben je duidelijk. Ik vind dat laf.’

Hij heeft me nodig. Kan niet zonder. Toen ik eens een week ver weg was heeft hij voor duizenden euro’s gebeld. ‘Waar was je? Met wie? Hoe lang? Ik geloof je niet. Laat me niet alleen. Kom terug. Kom terug. Kom terug als je van me houdt.’

Anderen gaven haar geen plezier meer. ‘Ik wilde alleen nog met hem zijn. En hij met mij.’ Hij neemt me overal mee naar toe. Ik luister en kijk toe. Hij knikt stil en staart me aan.

De blonde krullenbol keek me onschuldig aan. ‘Ben jij Mathilde?’ Vroeg hij. ‘Ja’ Zei ik en spiegelde zijn lach. De managementcursus, waar ik nogal tegenop had gezien, begon over een kwartier. De deelnemers verzamelden zich in de grote hal van het opleidingsinstituut voor een kop koffie en de informele kennismaking. De meesten leken uitgelaten over het uitje. ‘Ik heb veel over je gehoord. Vooral van vriendjes die je wel kunnen wurgen omdat je ze hebt afgewezen. Je bent geen lieverdje.’ Ik luister en bedenk weer eens dat het maar goed is dat ik me niet altijd realiseer wat ik teweegbreng. ‘Krijg je weleens boze brieven?’ Vraagt hij. ‘Oh ja, die sturen ze in de regel naar de hoogste baas. Die krabbelt er dan op dat ik met begrip moet reageren.’

De cursus blijkt een combinatie van een sensitivity training en een harde outward bound survival te zijn. Aan het einde van de ochtend weet ik nog steeds niet in welke cirkel ik het beste functioneer, maar wel dat we allemaal haantjes zijn. Daar zijn we immers op geselecteerd. Wie zou dat beter weten dan ik. De recruiter.

‘Helaas heb ik een teleurstellende mededeling voor je. Je gaat niet door naar de volgende ronde. Je hebt een paar hele sterke punten. Wat vooral opvalt is je operationele kracht. Op jouw kan een bedrijf bouwen. Als je een opdracht krijgt, zal je die perfect uitvoeren. Bovendien heb je een stevige dosis ambitie. Daar kan je het ver mee schoppen. Aan de andere kant ben ik minder zeker van je analytische vermogen. Tijdens het gesprek ga je er niet altijd blijk van hoof- en bijzaken goed te onderscheiden. Ik kan me natuurlijk vergissen, maar had de indruk dat je niet altijd to the point was. Helaas is dat wel een belangrijk criterium. Ik wens je veel succes bij de andere bedrijven waar je hebt gesolliciteerd.’

In groepen van zes bouwen we een vlot. Het is avond en donker. Ik heb het koud en begrijp dat ik onvoldoende leiding geef. Ik ondersteun niemand. Doe geen technische of praktische suggesties. Welke rol speel ik eigenlijk? Deze oefening zal mijn totaalscore geen goed doen. We laten ons wrakkige vlot in het water zakken en gaan er giechelend op zitten. Het gevecht kan beginnen.

Vooral de jonge mannen onder ons hebben veel plezier. Ze slaan met peddels in het water en trekken aan elkaars kleren. Natuurlijk. Iedereen moet nat. Ons vlot is in stukken uiteen gevallen. Ik zit op een ton en drijf naar de brug. Weinig te zien van lef en doorzettingsvermogen op dit moment. Ik hang aan de brug en twee psychologen trekken me naar boven. Iedereen spartelt in het water. Als enige word ik niet nat.

‘Helaas heb ik een teleurstellende mededeling. We zullen  de procedure niet voortzetten. Ik begrijp dat het vervelend is om te horen. Ik zal proberen uit te leggen waar het in zit. Natuurlijk heb je een heleboel sterke kanten. Je hebt een fantastisch analytisch vermogen. Daarmee bedoel ik dat je scherp bent, snel, dingen doorziet, goed overzicht hebt en hoofd van bijzaken kunt onderscheiden. Verder weet ik zeker dat we jou om een boodschap kunnen sturen. Je neemt je verantwoordelijkheid. Je bijt je ergens in vast en zet door. In gezelschappen kan je zeker overtuigend zijn. Waar ik over twijfel is wat we hier interpersoonlijke sensitiviteit noemen. Dat vinden we heel belangrijk. Je hebt er tijdens het gesprek geen blijk van gegeven je te kunnen verplaatsen in een ander. Wellicht kan je dat prima. Maar het is verstandig om dat de volgende keer in een dergelijke setting ook te laten zien aan de interviewer. Het is belangrijk je gesprekspartner een goed gevoel te geven. Veel sterkte daarmee.’

‘Ik ben Emiel’ Zegt hij als we ’s avonds laat met z’n allen in de kroeg zijn beland. ‘Dat wist ik al’ Zeg ik. ‘Ik ken je dossier.’ Hij kijkt me lachend aan en ziet dan dat ik het meen.

De volgende dag laten we de cirkels en de vlotten achter ons en concentreert de aandacht zich volledig op kleuren. Ik verberg mijn weerzin en speel het spel mee. Iedereen doet of is bloedserieus. Tot vreugde van de psychologen kloppen hun aannames. De groep is overwegend rood en oranje. Hier en daar een tikje blauw. Bij mij is een veeg geel te zien. Dacht ik al.

Ik lig alleen in het zwembad van het hotel dat bij het opleidingsinstituut hoort. Langzaam trek ik baantjes. Achter mij glijdt iemand het water in en zwemt in mijn richting. Ik voel een hand om mijn enkel. Natuurlijk. Iedereen moet nat.

‘Helaas heb ik een teleurstellende mededeling voor je. Namens het bedrijf heb ik besloten de procedure met jou niet verder voort te zetten. Ik vind dat naar voor je, want je heb blijk gegeven van een oprechte belangstelling en motivatie. Dat vinden we belangrijk. Ook qua cultuur zou je goed bij ons passen. Je komt down to earth over. No nonsense. Prestatie- en resultaatgericht. Dat zijn wij ook. Bovendien ben je open een eerlijk. Direct. Maar waar het aan lijkt de ontbreken is zelfreflectie. Dat is het vermogen om over jezelf na te denken. Om kritisch over jezelf te zijn. Verbeterpunten bij jezelf te zien. Ik heb je hier herhaaldelijk naar gevraagd, maar jij kon geen enkel punt ter verbetering bedenken. Dat kan toch niet waar zijn? Iedereen heeft leer- en ontwikkelpunten. Ik ook. Daaraan werken is de kern van volwassen worden en opklimmen in de hiërarchie van een multinational. Ik hoop dat je iets hebt aan dit advies bij de andere bedrijven waar je gesprekken gaat voeren. Ik wens je daarmee veel succes.’

Johannes van Maerlant sjokte een beetje. Dat kwam omdat zijn schoenen net iets te groot waren waardoor hij zijn voeten niet makkelijk kon optillen. Vandaar dat hij ook een beetje voorover liep. Hij moest zijn aandacht bij de vloer houden. Misschien lag er iets waar hij over zou kunnen struikelen. Het pak hielp niet mee. Het zat aan de ruime kant. Hing als het ware om hem heen. Te goedkoop ook. Het begon al te glimmen. Niet dat hij het opmerkte. Voor uiterlijkheden had hij geen oog. Het ging hem om de inhoud. Daarom was hij de politiek ingegaan. Hij had het zo mooi opgeschreven in zijn sollicitatiebrief: “Al van jongs af aan maak ik mij zorgen over de ongelijkheid in de wereld. Niet alleen in ontwikkelingslanden, maar ook in ons eigen land is er van alles mis. Velen leven op of onder de armoedegrens, terwijl anderen bonussen incasseren en zich weinig gelegen laten liggen aan de maatschappelijke noden. Het wordt tijd iets te doen aan deze onverschilligheid. Het is mijn visie en overtuiging dat het tijd is voor daadkrachtige solidariteit. Daar wil ik, samen met de partij, graag een bijdrage aan leveren.’

Niet dat hij zelf ervaring had met armoede. Hij was van zogenaamd gegoede huize. Geld was niet iets waarover je sprak. Het was er gewoon. In Huize van Maerlant heerste geen gebrek. Misschien aan aandacht, maar dat was een ander verhaal.

Die brief was drie jaar geleden. Inmiddels was hij alweer een jaar volksvertegenwoordiger. Het was hem gelukt een plaatsje te veroveren in de pikorde van de fractie. Niet echt hoog, maar ook niet te laag gelukkig. Hij concentreerde zich op de dossiers die hem waren toevertrouwd. Complexe onderwerpen waar niet veel belangstelling voor was geweest. Die had hij met plezier opgepakt. Het kostte hem geen enkele moeite zich in de materie te verdiepen. De medewerkers van de fractie hadden geen kind aan hem. Schriftelijke behandelingen en voorbereidingen voor mondelinge overleggen deed hij zelf.

Vandaag sjokte Johannes van Maerlant niet alleen omdat zijn schoenen niet paste. Hij liep ook ergens over na te denken. Vanochtend had het bestuur van de fractie besloten dat hij het woord niet mag en gaat voeren over een onderwerp dat hem na aan het hart ligt. Hij is officieel de woordvoerder gevaarlijke stoffen. Hij had vorig jaar geconstateerd dat niemand zich hierom bekommerde en was tot zijn vreugde meteen tot woordvoerde gebombardeerd. Hij had zich serieus in de zaak verdiept. Met betrokken bedrijven gesproken. Artikelen gelezen van vooraanstaande hoogleraren. Kennis genomen van de gang van zaken in de ons omringende landen. De wetgeving bestudeerd. Hoewel er niets actueels gebeurde op dit terrein, verheugde hij zich over zijn toegenomen wijsheid.

Een paar dagen geleden kwam het bericht naar buiten dat een transport van zeer gevaarlijke stoffen vanuit Duitsland naar de haven van Rotterdam op weg was. Niemand scheen te weten waar het precies om handelde, maar milieugroeperingen waren in de hoogste staat van alarm omdat ze van niets wisten. Zij niet alleen overigens. Niemand was op de hoogte. Een klokkenluider had de komst van het transport gelekt naar een landelijk dagblad.

Johannes had zich onmiddellijk in de zaak verdiept en al bij zijn eerste onderzoekingen geconstateerd dat de zaak schromelijk was overdreven. De klokkenluider had een duidelijk persoonlijk belang. Dergelijke transporten kwamen wel vaker voor. Er was alleen iets misgegaan met het verzenden van de email naar de autoriteiten.

Deze mededeling was gisteren tijdens de fractievergadering tot zijn verbazing met hoongelach ontvangen. Had hij zich voor het karretje laten spannen van het grootkapitaal? Hoe kon hij dit allemaal zo zeker weten? Andere bronnen vertelden heel andere verhalen. Dit was een potentiële beerput en kon voor grote onrust onder de bevolking gaan zorgen. Het lukte hem niet de fractie te overtuigen. Terwijl hij aan het woord was, begonnen collega’s met elkaar te smoezen. Hij deed of hij het niet zag. Of de veelbetekende blikken over en weer hem ontgingen.

Irene van Maaskant, ook een nieuw fractielid, zou het woord gaan voeren. Hij voelde zich bij haar niet op zijn gemak. Ze was lang, slank, blond en zeker prettig om naar te kijken. Daar lag het niet aan. Ze was een handige tante. Dat kon hij wel zien. Niet op haar mondje gevallen. Altijd haar woordje en haar mening klaar. Dat was het misschien. Dat hij iets meer tijd nodig had om zich in zaken te verdiepen. Dat hij zich af en toe door haar overvallen voelde. En niet meteen iets terug wist te zeggen. Later wel. Te laat.

Al eerder was ze hem te vlug af geweest. Twee gemeenten lagen dwars bij een door de partij gewenste bestuurlijke herindeling. Gemeenten met partijgenoten als burgemeester. Een kolfje naar zijn hand en een uitgelezen mogelijkheid om zijn deskundigheid in de media te etaleren. Maar al voor hij goed en wel zijn persbericht klaar had, stond Irene al met een quote in de krant. ‘Houding partijgenoten onaanvaardbaar.’ Klip en klaar. Dat hij alle schriftelijke behandelingen tot dan toe had gedaan, had geen betekenis meer. Journalisten waren alleen nog maar in haar geïnteresseerd. Toen hij ging klagen bij het hoofd voorlichting van de fractie had die alleen maar meewarig zwijgend zijn hoofd geschud.

Hij bewoog zich richting de kantine. Eigenlijk had hij al geluncht, maar hij had nog trek. Behalve zijn schoenen en zijn zorgen was er nog reden voor sjokken van Johannes. Zijn omvang. Vroeger was hij een schriel mannetje geweest. Maar in de loop van de jaren was hij gestaag gegroeid. Nu had hij het stadium bereikt dat zijn omvang een fysieke belemmering werd, een handicap eigenlijk. Hij had het afgeleerd op de weegschaal te gaan staan, maar vermoedde dat hij zo’n 140 kilo woog. Hij wist dat hij er iets aan moest doen, maar tot nu toe was het niet gelukt het tij te keren. Zijn voorkomen had ook een voordeel. Zijn omvang compenseerde zijn natuurlijke onopvallendheid. Hoewel niet behept met interesse voor uiterlijke schoon, realiseerde  hij zich dat opvallen belangrijk is in de politiek.

Dus begaf hij zich, na in het restaurant voor de Leden al een matige maaltijd genuttigd te hebben, naar de kantine voor de Medewerkers. Daar bestelde hij twee bruine broodjes met kroket en een glas karnemelk. Daarmee installeerde hij zich aan een tafeltje met zicht op het Plein. Hij had nog even. Zijn volgende vergadering begon over een half uur.

Hij verheugde zich niet op het overleg met de lobbyist. Morgen was er een belangrijke vergadering en de lobbyist had ter voorbereiding een afspraak geregeld via de persoonlijke medewerker van Johannes. Dat kwam niet goed uit. Johannes had zijn inbreng al klaar. Uitgeschreven en in de fractie besproken. Hij wist dat de lobbyist het met zijn inbreng niet eens was en schrok terug voor de confrontatie. Hij zou om de oren geslagen worden met feiten en cijfers. Onderzoeksrapporten die hij niet kende en niet vertrouwde. Rapporten van hoogleraren van onbekende internationale universiteiten die tegen een aardige vergoeding alles opschreven wat hun opdrachtgever vroeg. Maar dat kon hij natuurlijk niet zeggen. Hij nam zich voor de lobbyist belangstellend aan te horen. Aantekeningen te maken. En zich verder niets van hem aan te trekken. Dan had hij vandaag tenminste geen last. Morgen zou hij ongetwijfeld ter verantwoording geroepen worden. Maar dat was een zorg voor later. Veel later.

Na het overleg met de lobbyist verliet Johannes aan het einde van de middag het gebouw. Hij wandelde naar het station. Vanavond moest hij werken. Een afdelingsvergadering in Assen toespreken. Zijn collega’s noemden dit corvee, maar hij deed het voor zijn plezier. Daar was het hem om te doen. Onder gelijk gestemden spreken over de goede zaak. Bij een kraam op het Stationsplein kocht hij een grote zak macadamianoten. Voor onderweg.

Hij hees zich in de trein en pakte zijn stukken. Om acht uur zou de vergadering beginnen. Hij was op tijd. In het zaaltje van het verenigingsgebouw hadden zich zo’n twaalf man en vrouw verzameld. Het afdelingsbestuur, een enkel lid van de gemeenteraadsfractie en een paar gewone leden van de afdeling. De voorzitter wachtte tot kwart over acht, maar toen er niemand meer kwam opende hij de vergadering. Een stoet aan onderwerpen passeerde de revue. Na anderhalf uur duizelde het Johannes. Gelukkig pauze. Even kwartiertje praten met partijgenoten en een kopje koffie. Werd wel laat zo. Na de pauze bleek het aantal aanwezigen gehalveerd. De voorzitter stelde de vergadering voor Johannes te vragen een andere keer terug te komen. Dat voorstel werd met algemene stemmen aangenomen. Een beetje beduusd stond Johannes iets voor elven buiten. Hij belde een taxi. Op het station kwam hij er tot zijn schrik achter dat er geen trein meer reed naar Den Haag.

5 februari 2010 Fruit/sap, yoghurt/Caesarsalade bij Dauphine/stukje appeltaart met slagroom/Frietjes met mayonaise en een frikandel/20 koffieboontjes (63.8)

07.00 uur Marianne Yanacek verlaat haar huis. Ze draagt een loszittende yogabroek, een strak avocadokleurig hempje met daaronder een stevige zwarte sportbh. Om haar pols een oranjekleurig sporthorloge. Aan haar voeten trimschoenen. Ze rent de straat uit, slaat de hoek om, loopt langs de fotograaf, de groenteboer, de bloemist en steekt de straat over naar de monumentale ingang van het park. Daar, op de zachte bosgrond, begint haar route. Twee rondjes van 2,4 kilometer langs de gele paaltjes aan haar rechterhand. De zon schijnt door de lichtgroene bladeren, de lucht is vol van zoemend leven en ondanks het vroege tijdstip is het al warm.

11 februari 2010 fruit/sap, yoghurt, een eetreep, Thaise soep/een garnalen-salade/een eetreep/roggebrood met kaas/beschuit met jam, yoghurt (63.4)

In de sportstudio is het warm. Al na enkele minuten op de roeimachine is Marianne doorweekt van het zweet. Ze kijkt Maurits van Trappenburg, haar personal trainer aan. ‘Nog vijf minuten.’ Zegt hij. Maurits is een vriendelijke professional. Hij heeft er voor gekozen om zijn leven niet te slijten met het lesgeven aan ongeïnteresseerde te dikke pubers in aftandse gymnastieklokalen. Maar zich daarentegen te wijden aan verwende vrouwen die, staande op de top van de pyramide van Maslov, besloten dat een personal trainer het enige was dat nog aan hun fantastische leventje ontbrak. Het is hem niet meegevallen. Soms vraagt hij zich vertwijfeld af of er niet meer is in het bestaan dan afvallen, een strakke buik, zorgen over broccoli-billen en flapperende armpjes. Dat is meestal ’s nachts. Overdag straalt hij zijn clientèle tegemoet. Met precies de juiste toon. Precies de goede balans tussen wortel en stok. Het perfecte evenwicht tussen inspanning en ontspanning. Hij weet dat al zijn vrouwen anders zijn en maakt het tot zijn sport om zich zo veel mogelijk in te leven in hun specifieke behoeften, wensen en vooral onzekerheden.

Ondanks zijn 27 jaar is hij gepokt en gemazeld. Als hij aan het werk is zijn al zijn zintuigen actief. Hij voelt, proeft en ruikt hoe de vlag erbij hangt, hoe de vork in de steel zit.

18 februari 2010 Sap/twee mandarijnen, yoghurt, twee chocolaatjes, roggebrood met kaas, twee chocolaatjes, spinazie met gehaktballen, twee chocolaatjes (63.2)

De school ligt tussen de sportvelden. Ondanks de al uren drenzende regen spelen, rennen en ballen overal kinderen. Marianne ziet ze door een kier in de deur van het toilet. Haar klasgenoten zijn begonnen met kastiballen. Traagt zeilt de bal door de lucht. Leerlingen rennen zo hard ze kunnen tussen de honken. Laten zich glijden over het natte gras en gillen het uit van plezier.

Marianne staart naar beneden. Ze ziet een smerige betonnen vloer. Een knipperend peertje verlicht de ruimte. Vierenzestig kilo. Vierenzestig kilo. Vierenzestig kilo. Ze aait zachtjes over haar heupen en dijbenen. Knijpt en besluit te blijven zitten. Tot ze een ons weegt.

Valentijn Savelberg (32) verlaat precies om kwart voor zes in de ochtend zijn Amsterdamse appartement en stapt in zijn auto die voor de deur geparkeerd staat. Zijn koffer en jasje legt hij naast zich op de passagiersstoel. Hij start de motor, klikt de stoelverwarming aan, zet het flesje drinkontbijt klemvast in de houder en rijdt weg. Het is dinsdag dus hij is op het ergste voorbereid. De file-informatielijn noemt alleen de A2 tussen Eindhoven en Maastricht, maar uit ervaring weet hij dat de berichtgeving snel kan veranderen. Zijn eerste zorg is de A10. Als hij daar al vast komt te staan, is het leed niet te overzien en gaat de reis deze ochtend minstens twee uur duren. Een rustige A10 betekent meestal dat hij redelijk snel in Den Haag kan zijn. Van daar naar Rotterdam is het op hoop van zegen. De A13 staat altijd vast.

Om acht uur meldt Valentijn zich bij de intercom van de parkeergarage van zijn Rotterdamse bedrijf. “Savelberg, intern”. Het hek zoemt open en Valentijn manoeuvreert zijn Saab 9.3 met uiterste zorg door de krappe ingang. Hij rijdt meteen door naar de bovenste etage. Eén voordeel van zijn op handen zijnde promotie is de vaste parkeerplek. Een lange file kan nu betekenen dat er geen plek meer is voor zijn auto.

Op zijn verdieping is het nog rustig. De eerste collega’s druppelen binnen. Behalve de partners heeft niemand een vaste werkplek. Degenen die daar niet tegen kunnen zorgen dat ze op tijd op kantoor zijn. Op vrijdag, de dag dat de consultants niet bij de klant, maar in Rotterdam zijn, is het vechten om een bureau. Sinds het kantoor draadloos is, zit de helft met zijn laptop op schoot te werken.

Valentijn gaat zitten met zijn gezicht naar het raam. Hij zet zijn computer aan en gaat een kop koffie halen. Bij de pantry heeft zich een clubje collega’s verzameld met het FD van vanochtend. Een klein bericht zorgt voor verontwaardiging. Net als de twee afgelopen jaren staat het Rotterdamse bedrijf onderaan in een branchevergelijking. “Weer maken we de minste winst van allemaal.” “Onze partners verdienen de helft van de nummer één. Hoe denken ze dat ze ons kunnen motiveren hier te blijven?” “Tot nu toe is dat anders aardig gelukt, het gaat kennelijk niet iedereen om het geld.” “Nog niet, maar hoe lang zal dat nog duren?”

Valentijn mengt zich niet in het gesprek. Hij kent de discussie, houdt niet van de negatieve toon en is optimistisch. Op de lange termijn zal de waarde van de winstpunten gaan stijgen. Voorlopig is hij toch nog geen partner. Hij is een senior manager die dit jaar hoopt principal te worden. Het voorportaal voor partner. Bovendien is hij druk. Vandaag moet hij zijn Persoonlijke Ontwikkelings Plan inleveren. De beoordeling daarvan is een volgende fase in zijn benoemingsproces. De hoofdlijnen van het plan zijn klaar. Valentijn worstelt nog met zijn motivatie. Waarom wil hij principal worden? Diep in zijn hart vindt hij dat een principal hetzelfde werk doet als een senior manager. Het verschil is dat een principal beter verdient en het makkelijker heeft omdat hij meer kan delegeren. Maar dat kan hij zo natuurlijk niet opschrijven. Hij zucht en begint te typen.

Om tien uur heeft Valentijn een afspraak. De lead partner op een groot supermarktconcern waar Valentijn voor werkt, wil hem spreken. De resultaten van een extern klanttevredenheidsonderzoek zijn bekend geworden en de nieuwste trend is om dat heel serieus te nemen. Het concern is Valentijns grootste klant en hij heeft nog nooit een klacht gehoord. De partner steekt meteen van wal. “Valentijn, je krijgt natuurlijk ruim te gelegenheid om jouw positie uit te leggen, maar laat me eerst vertellen hoe de situatie ervoor staat. Op drie punten is onvrede over jouw functioneren als projectleider. Ten eerste is geconstateerd dat je de opdracht niet regelmatig evalueert. Ten tweede heb je, ondanks de herhaaldelijke klachten van de klant, je tweede man niet vervangen en ten derde loopt de opdracht grote vertraging op waarvoor de klant van jou geen bevredigende verklaring heeft gekregen. Wat is hier aan de hand?” Valentijn kijkt naar de tafel en probeert de zaak op een rijtje te krijgen. Wie heeft met wie gesproken? Hoe komt de partner aan deze informatie? Waarom weet hij van niets? Waarom heeft niemand hem iets verteld? “Valentijn, voor alles is vast een goede verklaring, maar wat ik niet begrijp, is waarom je mij niet hebt geïnformeerd. Nu sta ik voor aap. Het bestuur heeft mij gisteren met deze klachten geconfronteerd en ik wist van niets. En dat net op het moment dat besloten moet worden over de partnerindelingen voor volgend jaar. Je kunt je misschien nog herinneren dat vorig jaar twintig procent van de partners een categorie is teruggezet. Twintig procent! Daar zit ik niet op te wachten. Sterker nog, ik hoopte op een promotie. Die kan ik nu wel vergeten. Je weet toch wel dat ik de bestuursvoorzitter ben opgevolgd als partner op deze klant. Die is hier natuurlijk extra gevoelig voor.”

“Je begrijpt dat ik geen keuze heb. Ik moet laten zien dat ik de klachten serieus neem en bovendien niet aarzel te handelen. De loyaliteit moet uitgaan naar de klant en niet naar onze eigen mensen. Perceptie is werkelijkheid. Als jij onvoldoende functioneert volgens de klant, functioneer je onvoldoende. Hoe goed je ook moge zijn. Ik ben gedwongen je van de klant af te halen. Ik begrijp hoe vervelend dat is. Maar uiteraard vinden we wel een andere klus. Voor nu vind ik het belangrijk dat je leert van wat er mis is gegaan. Ik heb HR al geïnformeerd. Je krijgt een coach.”

Met suizende oren verlaat Valentijn de vergaderruimte. In de kantine zoekt hij een stil hoekje op om na te denken over de situatie. Hij sluit zijn ogen. Precies op dat moment zwaait iemand naar hem. Het is de afdelingssecretaresse. Zijn volgende overleg begint. De vergadering is belangrijk omdat over twee weken het Grote Jaarlijks Supermarkt Congres wordt gehouden. Het Rotterdamse bedrijf is marktleider in dit segment en heeft een naam hoog te houden. Iedereen die er toe doet in de supermarktwereld komt naar het Jaarlijkse Congres. Onderzoekers, CEO’s en CFO’s, opinieleiders, dienstverleners, politici. Ieder jaar moet weer een verrassing opleveren. Het inhoudelijke middaggedeelte van het congres moet vernieuwend en spannend zijn en tijdens het galadiner verwachten de gasten absoluut topentertainment. Ook dit jaar zijn kosten noch moeite gespaard. Valentijn is verantwoordelijk voor de organisatie van het congres en leidt het team dat de dag tot een succes moet maken.

Ondanks het vervelende bericht dat hij zojuist heeft gehoord, opent Valentijn welgemoed de vergadering met de notulen van de vorige keer. Nadat die ongewijzigd zijn vastgesteld, loopt Valentijn de actielijst langs. Het probleem met de aarzelende key note speaker blijkt tot zijn opluchting te zijn opgelost. Hierna vraagt de dame die verantwoordelijk is voor de administratie het woord. “Het spijt me dat ik het moet zeggen, maar er is iets misgegaan met de uitnodigingen. We hebben ze wel aan TNT aangeboden, maar op de één of andere manier zijn ze toch op de postkamer blijven liggen. Daar zijn we gisteren pas achter gekomen. Nu weten we niet wat we moeten doen. We hebben gedacht aan het alsnog versturen van de uitnodingen en het nabellen van de gasten, maar het kan zijn dat je het congres liever uitstelt.” Valentijn gaat even verzitten. Hij krijgt het warm. Heeft geen idee wat de beste oplossing is. De hele situatie ziet er eerder onoplosbaar uit. Deze informatie mag in ieder geval niet buiten deze ruimte bekend worden. Deze blunder zal hem niet worden vergeven. Hij team kijkt hem vragend aan.

Na de vergadering is er tijd voor een korte lunch. In de kantine is het druk. Valentijn rekent twee bruine broodjes, een kroket, een glas karnemelk en een bak rauwkostsalade af. Hij schuift aan bij collega’s van zijn verdieping. Die zijn nog steeds niet klaar met hun tirades tegen het bestuur. Zwijgend eet Valentijn zijn brood, verdiept in zijn eigen gedachten.

Na het eten wordt hij verwacht bij de bedrijfspsycholoog voor de evaluatie van zijn assessment. Een assessment is een vast onderdeel van het benoemingsproces tot principal. Een principal moet voldoen aan een uitgebreid functieprofiel en behalve het leveren van concrete omzetresultaten, het invullen van een POP en het voeren van een beoordelingsgesprek met drie partners, moeten de kandidaten een assessment positief doorlopen. Murw van de gebeurtenissen van de ochtend klopt Valentijn bij de psycholoog aan. De man knikt hem vriendelijk en geruststellend toe. Hij opent de map die voor hem ligt en begint te lezen. “Zoals je weet ben ik niet degene die de beoordeling geeft. Ik vertel je de resultaten van je assessment. De beoordeling van de feiten zoals ik ze geef, is aan de partnergroep en uiteindelijk aan het bestuur. Het bestuur heeft de competentievelden voor de functie van principal opgesteld. Zij weten precies welk type mens ze willen, welk type potentieel het meest succesvol voor het bedrijf zal zijn in de toekomst.”

“Ik raad je aan het assessment niet te zien in het kader van een beoordeling, maar als onderdeel van je persoonlijke ontwikkeling. Je zou kunnen zeggen dat het een ontwikkelassessment is. Ik geef je om te beginnen je meest sterk ontwikkelde competenties. Dat zijn omgevingsbewustzijn, luisteren en contrateren. Verder te ontwikkelen competenties zijn samenwerking, en dan bedoel ik vooral intern en persoonlijk ondernemerschap. Ik denk dat het handig is als ik deze begrippen voor je vertaal in gewone mensentaal. Je komt naar voren als een prettig mens dat veel rekening houdt met anderen en zich daadwerkelijk verdiept in de behoeftes van anderen. De anderen waar ik het over heb zijn over het algemeen je klanten. Dezelfde vaardigheden zet je minder in ten aanzien van je collega’s en nog belangrijker, je superieuren. Toch is het, als je hogerop wilt, niet onverstandig je af te vragen wat de diepste drijfveren van je leidinggevende zijn. En daarop in te spelen. Uit de 360 graden feedback die je hebt gedaan, blijkt dat dergelijk pragmatisch gedrag je vreemd is. En dat is jammer. Persoonlijk ondernemerschap betekent ook dat je voor jezelf op moet komen. Bij wijze van spreken je eigen business plan moet schrijven. Je moet in staat zijn in twee minuten aan je baas of een klant te vertellen waarom hij of zij met jou moet werken. Een elevator pitch voor jezelf. Weleens geprobeerd? Uit de Sterkten-Behoeften-Grafiek blijkt dat jouw voorkeurstijl er één is van respectvol en voorzichtig met anderen omgaan. Dat is natuurlijk prachtig, maar het is de vraag of het altijd effectief is. Mensen die direct en ronduit zijn krijgen vaak makkelijker iets voor elkaar.”

De psycholoog kijkt Valentijn vragend aan. Is alles duidelijk? Valentijn kijkt glazig terug en knikt.

“Ten slotte geef ik de resultaten op de vier competentiegebieden die voor een principal relevant zijn. Ten eerste excellente dienstverlening. Je onderzoekt de klantwens op een prima manier en je reageert adequaat op de wensen van de klant. Ook op het terrein van marketing en sales ben je effectief. Je formuleert concrete vragen waar de klant bijna alleen positief op kan reageren. Daarna sluit je zonder aarzelen de deal. Je managementeffectiviteit is voldoende. Je stelt je actief en sturend op en betrekt mensen bij het besluitvormingsproces. Leerpunt is dat je delegeren lastig vindt, waardoor het voor de groep niet altijd duidelijk is waar je heen wilt. Ten slotte, en dat is je grootste ontwikkelpunt, je leiderschapseffectiviteit. Gaan je mensen uiteindelijk voor je door het vuur en gaan collega’s je zien als De Aap op De Rots of blijf je één van de aapjes die op de grond aan het spelen is?”

Valentijn probeert onopvallend op zijn horloge te kijken. De sessie zit er bijna op. Hij heeft geen idee wat de psycholoog gezegd en bedoeld heeft. Zijn vermeende capaciteit om goed te kunnen luisteren heeft hem verlaten. Hij verlangt naar de koele garage, zijn auto, de file. Hij verlangt naar eenzaamheid, rust en stilte. Het is pas twee uur.

Herkenning vreesde hij niet. Hoewel hij de bedenker én eigenaar was van de site. Succesvol was een predikaat dat hem paste, maar niet bezighield. Het ging hem om iets anders. Wat precies was moeilijk definieerbaar. Sommigen van zijn vrienden zouden zeggen dat hij intrinsiek gemotiveerd was. Dat het plezier in de zaak zelf centraal stond. Dat hij gedreven werd door authentieke rechtvaardigheidsgevoelens. Anderen, die hem van een wat grotere afstand konden bekijken, zetten daar hun vraagtekens bij. Gedreven? Jazeker, maar ook hard en meedogenloos. Plezier? Jazeker, maar dan vooral ten gevolge van het genot dat triomfantalisme teweeg kan brengen. De zoete smaak van de macht.

Toen hij de site twee jaar geleden lanceerde, was het idee een instant succes. De traditionele tijdschrijften, die zich tot dat moment niet onverdienstelijk met restaurantrecencies bezighielden, hadden meteen het nakijken. De oorzaak van het succes was het duidelijk. De participatie van het publiek en de hardheid van de oordelen. Alle bezoekers van de site konden naar aanleiding van hun ervaringen hun mening geven. Deze gezamenlijke opvattingen leiden tot een helder oordeel. Er op of er onder.

Om de site de hoognodige ‘credibility’ te geven had hij een ingenieus puntensysteem ontwikkeld. De kwaliteit van het eten speelde daarbij weliswaar een rol, maar geen prominente. Het ging vooral om andere zaken. Hoe staat het personeel de gasten te woord? Wordt de gast herkend als regelmatige bezoeker of blijft hij anoniem? Weet de gastheer of gastvrouw waar hij of zij het over heeft? Blijkt uit de aandacht die je krijgt interesse in jouzelf of in je portemonnee? Maar ook: Ziet het restaurant er schoon uit? Is zorg besteed aan de inrichting?

Het systeem werkte. Over de precieze mate van gaarheid van een coquille durfde niet iedere restaurantbezoeker zich uit te spreken, maar over gastvrijheid hadden ze vrijwel allemaal een mening. De site was een goudmijn. Het begon al na een paar weken met de restaurants zelf. Degenen met een positieve recensie lieten zich makkelijk verleiden om met wat extra middelen meer aandacht te genereren. Toen de eerste advertenties verschenen bleek dat niemand wilde acherblijven. Al snel volgden supermarktconcerns, keukenleveranciers, bloemenkunstenaars, interieurdesigners, cateraars, meubelmakers, lichtarchitecten en het einde was nog niet in zicht.

Het succes was ook anderen opgevallen. Hij had inmiddels twee aanbiedingen op zak van geïnteresseerde kopers. Maar hij had geen haast. Was het de lol of de macht? Hij dacht er niet over na. Het ging hem om de actie.

Deze avond is een goed voorbeeld van het leven dat hij wil leiden. Een leven waarin werk en privé volstrekt door elkaar lopen. Zakelijk bestaat niet meer. Alles is persoonlijk. Niemand hoeft meer verantwoording aan iemand af te leggen. Onafhankelijkheid als het hoogste doel.

Hij was tevreden. De bellini die ze hadden besteld kwam zonder aarzelen en gezeur. In de meeste restaurants veranderde het gezicht van de ober in een vraagteken. Een bellini? Dat zou je in Italië niet meemaken. Jazeker, we zijn vooruit gegaan op culinair gebied, maar we zijn er nog lang niet. De prosecco met crème de Peche had precies de goede verhouding en smaakte fris zoet.  Hij was ook niet ontevreden over zijn tafeldame. Vanavond zat een lange melkchocoladebruine Naomi Campbell achtige schoonheid tegenover hem. De nieuwe vriendin van één van zijn beste vrienden. Geen echte liefhebster, maar wel een dame die goed kon observeren en het nodige had meegemaakt. En dat was precies wat hij nodig had. Twee paar ogen zien meer dan één.

Kijken, daar zou het vanavond om draaien. Scherp zijn. Niets aan je aandacht laten ontsnappen. Een heldere blik. Opmerkzaamheid.

Hij bestelde altijd het menu. Soms stond dat op de kaart, meestal liet hij zich verrassen. Zo gaf hij de kok de kans het beste van zichzelf te laten zien. Bovendien boden al die gangen even zovele vergezichten op de capaciteiten van de bediening. Allemaal proeven van bekwaamheid ten overstaan van zijn niets ontziende blik.

Herkennen zouden ze hem niet. Op de site stond geen foto van hem. En tot nu toe was de belangstelling voor de oprichter-eigenaar sowieso minimaal geweest. En hij taalde er niet naar. Anders dan sommigen van zijn collega-concurrenten. Die lieten zich graag fotograferen bij een bezoek aan de Miljonair Fair, de TEFAF of de laatste show van Addy van den Krommenacker. Hij gruwde daarvan. Voor hem geen feesten en partijen. Het liefst was hij thuis en luisterde hij naar muziek. Muziek waarin je eigen gedachten oplosten. Waarin je de stilte kon horen. De laatste tijd luisterde hij onophoudelijk naar Canto Ostinato van Simeon ten Holt. Urenlange herhalingen op een thema. Het gaf hem rust.

Maar nu eerst deze avond. Na de bellini leek de klad er in te komen. Ze zaten nu al drie kwartier te wachten op het eerste voorgerecht. Het bijpassende glas wijn was al leeg en niemand maakte aanstalten bij te schenken. Hij probeerde tevergeefs de aandacht te trekken van het personeel. Het viel hem op dat het professionele autisme, waarvan in veel restaurants sprake was, hier tot een nieuw hoogtepunt was doorgevoerd. Niemand keek hem aan, zocht zijn blik of lette op hem. De obers keken allen strak voor zich uit. Onmogelijk contact mee te krijgen.

Hij stak zijn hand hoog in de lucht en hield hem daar net zo lang tot het opviel en iemand naar de tafel kwam. Hij voorgerecht zou niet lang meer op zich laten wachten.

Het was belangrijk niet te veel aandacht te trekken. Hij moest niet die moeilijke of bijzondere gast worden. Maar vanavond was dat geen eenvoudige opgave. Hij ergerde zich aan de piepjonge vinoloog die zelfvoldaan de grootst mogelijke nonsens debiteerde. Aan de lange pauzes tussen de gerechten. Aan de pretentieuze manier waarop drie obers tegelijk de gerechten kwamen opdienen. Aan de goedkope zwarte jurkjes die de serveersters kennelijk samen bij de Zara of H&M waren gaan kopen. En die zelfs de meisjes met de mooiste lichamen tot lomperikken degradeerden.

De inrichting van het restaurant was net niet trendy meer. Te veel bling bling. Overal spiegels en zwart glimmende vazen met hard roze orchideeën. Hij kende het van Hongkong en Shanghai. Daar paste en mocht het. Extravagant uitgaan. Met geld smijten en daarvan genieten. Laten zien dat je het verdiend hebt. Hier kon dat al lang niet meer. Het rijke westen bevond zich aan de rand van de afgrond. Het Romeinse Rijk vlak voor het einde. Onzekerheid en arrogantie strijden om voorrang. De enige uitweg die hij nog ziet is soberheid. Terug naar de natuur. Het ambacht. Streekprodukten.

Zadelpijn heb ik niet, maar dat is dan ook het enige positieve dat ik kan opmerken over deze fietstocht. Voor hem een mythe, een fascinatie. Voor mij een lijdensweg. Je moet wat over hebben voor je huwelijk. Tien procent van de paren blijft jarenlang verliefd. De succesfactoren zijn algemeen bekend. Gun de ander successen. Wees gul met complimenten en onderneem regelmatig samen iets nieuws. Dat laatste hadden zij tot kunst verheven. Verliefd waren ze niet gebleven. Bij elkaar nog wel.

Het tienjarig huwelijksfeest is inmiddels achter de rug. Een mijlpaal die niet geruisloos voorbij is gegaan. Met een gigantisch feest hebben we laten zien hoe dol we nog steeds op elkaar zijn. De gasten waren onder de indruk geweest. Vrienden hadden zich uitgesloofd om gedichten te maken en een inzameling te houden voor een groot cadeau. Liefje, boterbriefje. Geven, beleven. Reizen, bewijzen. Samen meer tijd, beleid. Scheiden, lijden. Gezien, misschien. Een bijdrage voor twee racefietsen hadden we gekregen. In een menshoge envelop.

En nu dan het echte werk na twee jaar oefenen op zondagmiddag en woensdagavond. Samen bergen beklimmen. De AGR. Xperience. Je moet weten dat ik geen enkel bezwaar heb tegen lichamelijke inspanning. Integendeel. Mijn lichaam is mijn tempel. Bijn iedere ochtend loop ik, nog voor het tanden poetsen, naar de zolder. Daar bevindt zich onze sportkamer. Compleet met spiegels tot aan het plafond, een crosstrainer, roeiapparaat, gewichten, en een yogamatje. Daar werk ik mij een half uur in het zweet volgens een vast patroon. Eerst zet ik mijn rechtervoet op een opstap en buig mijn rechterknie. Daarna zak ik twee keer tien keer met mijn andere knie naar de vloer. Dat herhaal ik met mijn linkerbeen. Vervolgens druk ik me drie keer twintig keer op waarbij ik ernaar streef met mijn neus telkens bijna de mat te raken. Dan is het tijd voor de buikspieroefeningen. Ik ga met mijn rug op een skippybal liggen en buig met hele kleine stukjes drie keer twintig keer omhoog. Het vervelendste zijn de oefeningen voor de zijkant van de benen en de billen. Met klitteband verbind ik beide enkels met een elkatiek aan elkaar. Ik ga op mijn zij liggen en trek eerst mijn linker en daarna mijn rechterbeen met kleine rukjes (spanning vasthouden!) vijftig keer omhoog. Dat herhaal ik liggend op mijn buik met benen naar achteren omhoog strekkend honderd keer. Ik eindig met rek en strek oefeningen. Ik streef er naar in één beweging met mijn neus mijn knie te kunnen raken zowel staand, zittend naar voren en zittend op zij.

Dit patroon, naar boven lopen en sporten, herhaalt zich vijf keer per week. Daarnaast ren ik drie keer per week 45 minuten. In de Schevenings Bosjes, het Haagse Bos/Park Clingendael of op het strand. Je ziet dus: ik heb geen hekel aan sporten. In mijn jeugd heb ik veel gehockeyd en mijn hele familie stond het hele weekend op de tennisbaan. Ik heb mijn portie ook in dat opzicht dus wel gehad. Maar, zoals ik al zei, voor je huwelijk moet je iets over hebben. Mijn lieftallige echtgenoot, vanaf hier Ralph genoemd, had het idee opgevat om te gaan fietsen. De Ronde van Spanje en Italië kon hem gestolen worden. Naar de Tour de France keer hij nauwelijks om. Nee, het waren de klassiekers die zijn hart hadden gestolen. Waarom mag Joost weten, maarn op zaterdagmiddagen voorafgaande en na afloop van de Tour de France lag hij gekluisterd aan de televisie te genieten van cowboys die het liefst in de regen over de natte kasseien van het Vlaamse land of over de onmogelijke bergen van ons eigen Zuid-Limburg voortsnelden.

Aan mij was dit niet besteed. Maar zoals iedere lezer nu, zag ik het ook toen al aankomen. De onvermijdelijke fiets zou binnen afzienbare termijn een niet te vermijden object in mijn leven worden. En was ons sexleven goed geweest, ik had me er met een grapje van af gemaakt. Lieverd, je levert je prestaties wat mij betreft al voldoende! Ik ben in fysieke zin volledig bevredigd! Maar dergelijke grapjes krijgen een venijnig karakter als de feiten er voor het overige niet om liegen. Als de frequentie van de huwelijkse consumptie is gedaald tot een schamele één keer in de zes weken, waarbij dan nog zeker niet gedacht moet worden aan tweezijdig genot, maar eerder aan het efficiënt toedraaien van de billen en het geraffineerd schokken en samentrekken waardoor één en ander zoveel mogelijk wordt bespoegdigd. Nee, ons sexleven was niet meer wat het eigenlijk in mijn herinnering nooit geweest was, maar natuurlijk wel had moeten zijn. Ik, als berucht liefhebber van damesbladen, weet dat het ook in andere huwelijken vaak niet zo is als het schijnt en ik maak me daarom ook geen enkele zorgen. Maar de sex uit de relatie verdwijnt, kan hij ook geen bron meer zijn van humor en afleiding.

Mij bleef dus niets anders over dan toe te geven aan de laatste bevlieging van mijn echtgenoot. Zeker nu recent onderzoek had aangetoond dat het samen doen van nieuwe dingen essentieel is voor het onderhoud van de relatie. Wij togen op de fiets. Dat ging niet zonder slag of stoot. Nadat we, zoals we dachten, van onze vrieden een substantiële bijdrage aan onze aanschaf hadden gekregen, kwamen we er achter dat racefietsen niet goedkoop waren. Zoals het een echte man betaamt, stortte Ralph zich op internet om alles wat recht en krom is te lezen over fietsen en het niet te overziene aantal broodnodige assecoires dat daarbij komt kijken. Ik deed niets dan hem af en toe bemoedigend toezuchten. Echte mannen zijn dingen mannen. Lukt het op het ene vlak niet meer om de grootste te hebben en de beste te zijn, dan wil het vast op een ander vlak nog wel lukken. Je ziet al aankomen dat we eindigden met de duurste en nieuwste fietsen die er bestaan. Ik mocht zelf de kleur uitzoeken. Het werd een meisjesfiets. Wit met rose bloemen. Ook op het zadel en ook op de helm. Alles helemaal op maat. Het was tijdens de aanschaf van dit alles, als ik er nog eens goed over nadenk, eigenlijk het enige moment van volkomen geluk dat ik heb gekend tijdens alle ervaringen die samenhangen met mijn laatste hobby.

Vanaf dat moment was het gedaan met de pret. Was er daarvoor nog weleens sprake van erotisch geladen lichamelijk contact in de ochtendlijke uren. Wat moet je anders als je gewend bent om half zeven op te staan met een lange vrije dag voor de boeg? Daarna werd de mannelijke presatiedrang volledig geprojecteerd op de fiets. Een gewone fiets, een tourfiets, een stadsfiets en zelfs een mountainbike, daar kan iedereen zich nog wel iets bij voorstellen. Maar een racefiets vraagt van lichaam en geest een aanpassingsvermogen dat in het begin bij mij nachtmerries veroorzaakte. Niet alleen de de helm die ieder vriendelijk, mooi, aangenaam gezicht vervormt tot monsterlijke proporties maakte het voor mij zwaar. Vooral ook de clips waarmee je schoenen en dus je voeten klemvast zitten aan de pedalgen zorgen voor doodsangsten. Keer op keer vergat ik mijn voeten te ontklemmen waardoor ik machteloos verloren met fiets en al omviel. Het doet niet altijd pijn, maar is zonder uitzondering genant. Met name wanneer het gebeurt bij iets als een simpel rood stoplicht waar ook andere fietsers staan te wachten.

Ik heb me door deze fase geen geslagen. Stoer natuurlijk en bewonderenswaardig. Zoveel vrouwelijke racefietsers op leeftijd zijn er nou ook weer niet. Maar achteraf vraag ik me af of ik er wijs aan heb gedaan om mij als een bikkel te gedragen. Het ware waarschijnlijk verstandiger geweest om toe te geven, mijn vrouwelijke kanten te cultiveren en te zeggen dat bij nader inzien de racefiets niet echt mijn fort is. Dat had me ontegenzeggelijk veel ellende bespaart.

Maar daarvoor is het nu te laat. Dus ik probeer er het beste van te maken. In de zomer kan het prettig zijn in de zon te fietsen. Het is alleen jammer dat je benen op zo’n rare manier bruin worden. Hoe klein je sokjes ook zijn, je blijft net boven je enkel een bruine streep zien. Daardoor kan ik de hele zomer mijn mooiste en elegantste pumps met goed fastoen niet dragen. Hetzelfde geldt voor je gezicht. Zonder zonnebril en helm valt er niet veilig te fietsen. Dus het enig was ongeveer kan kleuren is je neus. En het ergste zijn je benen. Hoewel beter in vorm door het vele fietsen, is het onmogelijk mezelf in bikini of badpak te vertonen. Midden op mijn bovenbeen bevindt zich namelijk een scherpe afscheiding tussen wit en bruin. Resultaat van één van de lelijkste uitvindingen ooit gedaan en ultiem bewijs dat racefietsen een mannen- en geen vrouwensport is, de fietsbroek.

Positief denken is dus niet makkelijk. Want behalve moeilijk bruin worden is het ook moeilijk afvallen. Gaat dat met hardlopen als een trein. Met fietsen gebeurt er weinig op de weegschaal. Het meest optimistische dat ik er over kan zeggen is dat ongetwijfeld vet- in spierweefsel zal worden omgezet. Dat is dan ook de enige geruststellende verklaring voor het feit dat ik eerder aankom dan afval.

Fietsen is ik waag nog een poging, een democratische sport. Kennelijk is iedereen in zijn leven wel in staat een fiets te kopen, te lenen of van iemand over te nemen. Dit democratische of volkse aspect van wielrennen is natuurlijk sympathiek. Waar golf, cricket en paardrijden nog steeds een elitair karakter hebben en dus velen die de sporten wellicht graag zouden beoefenen, uitsluiten, is dat bij wielrennen niet het geval. Maar ook deze sympathieke kant brengt zekere nadelen met zich mee. Ik zal proberen me zo voorzichtig mogelijk uit te drukken ten einde niemand te beledigen. Ik wil allerminst de suggestie wekken dat ik me beter voel of beschaafder gedraag dan andere mensen. En toch moet we van het het hart dat het gedrag dat een groot aantal wielrenners met name op smalle duinpaden, alwaar ik mijn trainingsarbeid over het algemeen verricht, ten toon spreiden, me heeft verbaasd. Een eenling op een racefiets is geen probleem. Twee mannen gaat over het algemeen nog wel. Maar groepen en groepjes fietsers die allemaal in dezelfde rose, geel, blauwe of witte clubkleuren zijn gestoken, gedragen zich (excusez le mot) regemlatig als bavianen. Hoewel ik gelezen heb dat apen en bavianen in het bijzonder, zeer sociale wezens zijn, dus ik sluit niet uit de deze vergelijking geheel mank gaat.

Maar ik dwaal af. Ik ben aan het fietsen. Vandaag geen duinpaden met drie naast elkaar fietsende figuren die mij de rozenbottels in duwen, geen zon ook en afvallen is vandaag geen prioriteit. Ik moet omhoog. We fietsen de klassiekers der klassieken. Bergen met percentages die in Italië en Frankrijk niet zouden misstaan. Onverwachte collen en angstaanjagende afdalingen. Hoe heb ik gehoopt dat het niet zou lukken. En hoe werd ik daarin keer op keer bevestigd.

Hoewel een beroemde en beruchte tour, staan er nergens bordjes langs de weg en zijn de moeilijkste beklimmingen niet te vinden zonder grondige voorbereiding. Met de aanwijzingen van de website kwam Ralph tot zijn spijt niet veel verder. Die volgen zou betekenen dat hij bij iedere bocht zou moeten lezen hoe hij verder moest. Dat was met 220 kilometer voor de boeg geen doen. Ook Google Earth bleek geen uitkomst te bieden. Mijn hoop groeide. Misschien kon hij zich erbij neerleggen dat dit echt iets was voor professionals. Misschien konden we dit jaar vrienden uitnodigen om samen naar het Grote Afzien te kijken. Maar nee. Er bleken op het Internet talloze plekken te zijn waar je de route kon downloaden op je GPS. Een apparaat dat wij tot dan toe nog nooit node hadden gemist, werk ineens van levenbelang. De GPS moest er komen. Wederom surfde Ralph een hele avond op het Internet waar hij net voor de klok van 22.00 uur een Garmin Edge 705 wist te bemachtigen. Voor tienen besteld, de volgende dag gratis thuisbezorgd. Ik bezat mijn ziel nog steeds in zaligheid. Hoewel een Dingen Man was mijn Ralph niet behept mijn groot technisch inzicht. Al bij het uitpakken van de Garmin werd ik steeds vrolijker. Dat zag er bepaald niet eenvoudig uit.

Ralph keek me hulpeloos aan: “Kan jij me helpen? Jij bent handiger met dit soort dingen dan ik.” Op dat moment had ik moeten ingrijpen. Hoewel ik geen mogelijkheden had om sexuele toespelingen te maken, ik heb u reeds uitgelegd hoe dat kwam, waren er andere manieren geweest om duidelijk te maken dat mijn grenzen waren bereikt. Ik had eenvoudig “tot hier en niet verder!” kunnen uitroepen. Dat had hij vast begrepen. Of, een tikje zwakker, maar even effectief, ik had een mislukte poging kunnen doen de software voor de Garmin te up- en downloaden. Daarna had ik met veel vertoon van wanhoop mijn armen ten hemel moeten gooien en het voorstel moeten doen: “Schat, zullen we een eindje gaan fietsen?” Maar die vertegenwoordigheid van geest had ik helaas niet. Ik zette mij achter het bureau en na een uurtje stond de AGR op de Garmin. Na wat gepiel met het bevestigingssysteem op het stuur van zijn fiets, was Ralph er helemaal klaar voor. Midden op zijn stuur, links naast de kilometerteller pronkte de nieuwe aanwinst.

Nu moet je weten dat wij eigenlijk helemaal niet het type mensen zijn om te wielrennen. Misschien wel de beste illustratie daarvan is de auto die wij in onze vrije tijd rijden. Het is een kleine cabrio van een nogal elitair merk waar je met de beste wil van de wereld geen fietsen mee of op kunt vervoeren. Ik zou het experiment met een afschroefbare en dus onzichtbare trekhaak met daarop tijdelijk een twinny load nog wel hebben aangedurfd, maar tot mijn verrukking ging dat zelfs Ralph te ver. Zo verloor ik mijn laatste restje zin in deze korte fietsvakantie. Ik had me verheugd op een paar tochtjes met open kap door het mooie heuvellandschap. Een elegant sjaaltje om mijn krullenkop, een Audrey Hepburn zonnebril, elleboog elegant over de rand van de autodeur. Wat ik tekortkom aan fysieke aandacht sublimeren en uitstralen naar de buitenwereld. Sexy doen en zijn. Dat kan voor mij autorijden in een notendop inhouden. Maar nee. Dit stel huurde een busje, zetten koffers en fietsen daarin en togen naar het diepe Zuiden.

En daar ben ik nu. Amechtig over de Au, Eu, Ui en de O berg fietsend. Tot nu toe geen centje pijn. Bij mijn echtgenoot ligt dat iets anders. Het lijkt wel of hij, na de eerste schermutselingen met de Garmin, zijn plezier in de tocht verloren is. Het was natuurlijk ook wat vervelend dat we het begin van de route niet konden vinden. Maar om daar nu zo’n drama van te maken, lijkt me niet nodig. Hij is immers op alles voorbereid. Vanochtend bleek dat hij me na al die jaren toch nog kan verbazen en verrassen. Om één en ander verder te stroomlijnen teneinde sportief succes te verzekeren, had meneer een waterproof scheermes gekocht. Onder de douche, ingezeept en wel, begon hij zichzelf van top tot teen te ontdoen van haar. Nu weten u en ik dat de lichamelijke vertrouwelijkheid in ons huwelijk niet groot is, maar zonder overleg jezelf een babyhuidje verschaffen, beschouw ik toch als een nieuw dieptepunt. “Zou je dat niet eerst met mij overleggen?” vroeg ik dan ook. “Meid, dat interesseert jou toch niet. Bovendien groeit het zo weer aan.” Deze dialoop verliep kort maar krachtig. Het scheren van een lichaam kan je ten slotte ook niet halverwege onderbreken, dus deze halfhartige poging tot verzet had ik beter kunnen laten. Wat er daarna gebeurde tart iedere beschrijving. Met een van thuis meegebracht en ergens in het geheim gekocht middel begon mijn echtgenoot zichzelf zorgvuldig in te smeren. Geen plekje sloeg hij over. Liefkozend gleden zijn handen over zijn hypernaakte lichaam. Met zacht masserende hand bewegingen kregen alle spieren persoonlijke aandacht. Ik kon het niet aanzien en aangezien ik niet kon kiezen tussen lachen en huilen, verliet ik de badkamer en ging op de rand van het bed zitten. Even bijkomen.

Nu het voorspel voorbij is, kan de fietstocht beginnen. Tot mijn eigen verrassing begin ik er plezier in te krijgen. In tegenstelling tot Ralph ben ik tot nu toe niet afgestapt. Natuurlijk is het zwaar. Ik zit regelmatig in het kleinste verzet, maar met mijn verstand op nul, lukt het me steeds om boven te komen. De eerste keren stormde Ralph de berg op. Hij passeerde mij en viel dan enkele meters later verdwaasd stil. Ik heb even getwijfeld. Maar dat duurde niet lang. Ieder voert zijn eigen strijd. Zonder op of om te kijken fietste ik langs mijn verbijsterd kijkende net afgestapte echtgenoot. Pas boven, op de top van de berg, wachtte ik zijn komst af.

Psychologisch is dat niet de beste aanpak. Iedereen die iets van mannen weet, is zich ervan bewust dat je ze beter kunt laten winnen. Dat is, ik heb dat al eerder gememoreerd, ook mijn gewoonte. Maar er zijn grenzen. Ik heb besloten dat die zijn bereikt. Genoeg is genoeg. Ergens deze tocht zal ik mijn kans krijgen en die zal ik met beide handen aangrijpen. Als het niet lukt op de steilste helling van Nederland is, dan moet het maar gebeuren op een berg in een donker bos of tijdens één van de vele stijle afdalingen. Een klein tikje is snel uitgedeeld. Uit je evenwicht raken bij 50 kilometer per uur is begrijpelijk en levensgevaarlijk. Ik kan de opluchting nu al voelen.

Als ik het leven eerder vanaf deze kant had kunnen bekijken, had ik een aantal zaken zeker anders aangepakt. Maar zo werkt het niet. We realiseren ons een heleboel, als we tenminste af en toe de tijd nemen om rustig na te denken, maar voor we besef kunnen omzetten in handelen hebben we kennelijk meer nodig. Voor sommigen is een radicale ervaring de aanleiding om de boel om te gooien. Een geliefde overlijdt en de partner die alleen achterblijft kiest voor een ander leven. Een leven waarin het niet langer draait om succes en status, maar om lichamelijke en geestelijke gezondheid. Meestal gaat een dergelijke keuze gepaard met het terugtrekken uit De Wereld. Mediteren, Zen, Boedhisme, kloostergang, het zoeken van de stilte in het Noorden van Schotland of het Zuiden van Frankrijk. Ik heb het allemaal gezien of er over gelezen. Weer anderen hebben geen aanleiding nodig. Zij zijn van jongs af aan al zoekend. En blijven dat hun hele leven. Ik weet niet wat ik nodig had gehad om de gebaande paden te verlaten. Ik weet wel dat het nu te laat is.

Veelbelovend ben ik lange tijd geweest. Jong ook. Dat duurde minstens tot halverwege de veertig. Daarna was het snel afgelopen. Tussen jong en oud zit niet veel tijd. Zeker in mijn geval niet. Ik zit nu hier. In een wereld zonder tijd en leeftijd. Veelbelovend dus. Jong afgestudeerd in economie en rechten. Een combinatie die succes al bijna verzekerde. Kijk naar de opleiding die de heren in de top van het bedrijfsleven hebben gevolgd. Het zijn allemaal juristen en bedrijfseconomen. Uit de goede familie was ik ook. Niet onbelangrijk nog steeds in dit zogenaamd genivelleerde land. De goede familie kiest de juiste universiteit en bij de juiste universiteit hoort een passende studentenvereniging. Destijds dacht ik daar niet over na. Het was voor mij volstrekt vanzelfsprekend dat ik de voorbeelden die ik mijn hele leven had gezien, zou volgen. Eenmaal op de universiteit veranderde dat. De vrouwen in mijn familie gingen weliswaar studeren, maar een bul was niet het hoogste doel. Ik wist dat de studentenvereniging de plek was om een toekomstige echtgenoot tegen het lijf te lopen. Niet dat ik daar bewust mee bezig was. Het was meer een gegeven. Daar ging iets mis. Op de één of andere manier paste ik niet het pulletje. Hoewel ik op school goed in de markt had gelegen, bleek dat op de kroeg helemaal niet het geval. Ik miste de vrolijke onbevangenheid van de andere meiden. De vanzelfsprekende milde arrogantie. Droeg mijn kleren niet met de natuurlijke elegantie die mijn collega-studentes ten toon spreidden. En, wat nog erger was, merkte dat ik geen interesses met ze deelde. Ik was, kortom, te serieus.

De vrouwelijke rolmodellen uit mijn jeugd schoten te kort. Zij waren er allen in geslaagd de goede man te kiezen. Zij leidden nu comfortabele levens als de echtgenoten van met min of meer succesvolle tandartsen, cardiologen, hoogleraren oude talen of zakenmannen. Ik kon zo snel geen nieuwe voorbeelden vinden om me mee te kunnen identificeren. Daar is, moet ik achteraf constateren, het grote dolen begonnen.

Voor mijzelf en de buitenwereld was er toen nog niets aan de hand. Ik studeerde met hoge cijfers af en was weliswaar anders dan de andere meiden, maar koos zelfbewust mijn eigen weg. Net als de meeste jongens die met de hoogste cijfers afstudeerden en een keurige carriëre bij de juiste studentenvereniging hadden doorlopen, ging ik werken bij een wereldwijd adviesbureau. De zakelijke dienstverlening. Dat leek mij wel wat. Hard werken in het begin. Up or out. Maar voor degenen die het volhielden was succes en financiële onafhankelijkheid op jonge leeftijd verzekerd. Hard werken was wat ik vanaf het eerste moment deed. Als jongste bediende, hoe slim ook, moest je zonder zeuren de vervelendste klussen aanpakken. En zeuren deed niemand. De teamspritit was fantastisch. En de beloning navenant. In korte tijd klom ik hogerop en mijn salaris steeg met iedere stap. Hoe hoger ik kwam des te internationaler werden de klussen en de opleidingstrajecten. Vanaf een bepaald niveau gingen alle consultants mintens één keer per jaar een week naar het wereldwijde opleidingsinstituut van de company in New York. Die verblijven waren berucht.

Het was tijdens één van die weken dat ik besloot one of the boys te worden. Het was mij niet ontgaan dat het aantal vrouwen daalde bij iedere promotie die ik maakte. Waren de teams in het begin volledig gemengd, tegen de tijd dat ik mezelf manager mocht noemen, was van de vrouwen met wie ik was gestart nog nauwelijks tien procent over. Was dit nu het beruchte glazen plafond?

Tijdens een van de cursusdagen belandde ik op een avond in een bar. Het was aan het einde van een lange, zware week waar ik een goed gevoel over had. Enigszins vermoeid nestelde ik mij met een malt whisky in een stoel bij de haard. Na enige tijd knapte ik op en verplaatste mijn aandacht naar de gesprekken aan de bar. Daar hadden zich mijn mannelijke collega’s verzameld. Wat ik hoorde, is niet geschikt om hier op te schrijven. Net als iedereen kende ik natuurlijk de verhalen over mannen die met elkaar over vrouwen spreken. Ik weet ook hoe vrouwen over mannen spreken. Dat is enigszins meewarig, grappend, soms cynisch, maar altijd mild. Wat ik nu hoorde was van een volstrekt andere orde. Als ik het moest omschrijven zou het woord kil nog het meest vriendelijke zijn dat ik kan bedenken.

Zittend in die stoel schoten er allerlei gedachten door me heen. Degene die bleef hangen was een advies dat ik jaren daarvoor had gekregen van een goede vriendin: Choose your battles. Dat was het moment dat ik besloot één van hun te worden. Ik stond op en zocht aansluiting bij de groep aan de bar. Het duurde even, maar al snel vond ik een opening. Daar ging ik staan. Met de whisky in mijn hand vroeg ik mijn buurman om een sigaret. Het duurde misschien een seconde of twintig. Daarna had ieder lid van deze groep mij bekeken en beoordeeld. Ik mocht meedoen.

Dat was overigens nog niet zo simpel. Het duurde weken voor ik de pikorde, de gewoontes en gebruiken, de impliciete en expliciete codes en het taalgebruik begreep. Vervolgens heb ik er nog minstens een jaar over gedaan om deze omgangsvormen ook toe te kunnen passen. Dat kon natuurlijk niet zomaar. Ik bleef ten slotte een vrouw. Waren manwijven kort na de tweede feministische golf de enigen die het lukte carriëre te maken in het bedrijfsleven, in de jaren daarna raakten ze snel uit de mode. Een vrouw is een vrouw en een vrouw ziet er elegant uit. In die werkelijkheid leefde ik. Nadat ik een paar keer goed op mijn bek was gegaan, oftewel te agressief, te grappig, te aanwezig geweest was, besloot ik het roer om te gooien. Aanpassing bleef mijn devies, maar ik combineerde het voortaan met onopvallendheid. Van mij geen rake opmerkingen meer. Scherpe observaties slikte ik in. Harde oordelen liet ik aan anderen. Ik sloot me aan bij de mening van de meerderheid of van de baas.

Zo ontwikkelde ik mij gestaag tot een grijs muisje. Niemand die het opviel. Behalve één. Eén van de jongens met wie ik jarenlang in het team had gezeten bij een aantal grote klanten, maakte nog sneller carriëre dan ik. Hij was al op zijn drieëndertigste internationaal partner geworden en inmiddels op diverse projecten degene aan wie ik verantwoording moest afleggen. Deze sluwe vos was een intelligente observator en de veranderingen in mijn gedrag waren hem opgevallen. Hij had al een aantal keren toespelingen gemaakt toen hij op een onverwacht moment in de aanval ging. “Mevrouwtje denkt zeker door stil in een hoekje te gaan zitten sneller carriëre te maken? Zo werkt dat niet. Je zult toch echt af en toe je nek uit moeten steken om hogerop te komen. Met alleen aardige mensen kunnen we de oorlog niet winnen.”

Op dat moment had ik natuurlijk iets moeten doen of zeggen. Wat hij deed was ongehoord. Hij poneerde aannames zonder die eerst bij mij te checken. Zijn toon was agressief en neerbuigend. Mijn oude ik was dan ook zeker in de tegenaanval gegaan. Had hem van katoen gegeven. De huid volgescholden desnoods. Voorbeelden gegeven van zijn eigen opportunistische gedrag. Maar mijn nieuwe ik kon geen woord uitbrengen. Ik had zo lang de bescheiden, niet opvallende, aardige man gespeeld dat ik er één was geworden.

Iedereen heeft van die momenten in zijn leven die hij achteraf bezien als beslissend heeft ervaren. Dat geldt ook voor mij. Toen ik, na die gemene uitval, terugkeerde op mijn kamer en achter mijn bureau plaatsnam, wist ik dat ik op een dood spoor was beland. Zo kwam ik niet verder. Als er toen iemand was geweest die me moed in had gepraat was het misschien nog goed gekomen. Iemand die een ander perspectief had geschetst. Die een poging had gedaan mij te laten zien dat mijn ambities relatief waren. Dat ik mijn talenten ook in een andere omgeving kon laten gelden en dat ik daar wellicht zelfs meer gewaardeerd zou worden. Maar dat gebeurde niet. En ik nam een fataal besluit.

De uitvoering van dat besluit was van een wonderschone eenvoud. Daarbij profiteerde ik van alles waar ik de afgelopen jaren in had geïnvesteerd. Het punt was dat ik inmiddels veel wist. Al die uren die ik zwijgend in hun midden had doorgebracht hadden mij niet alleen verbazing en verbijstering over het gedrag van mijn mannelijke collega’s, maar ook kennis opgeleverd. Het inzetten van deze kennis vormde de kern van mijn plan. 

Wat ik precies voor ogen had, kan ik me vanaf deze kant lastig herinneren. Was het wraak? Jaloezie? Onvermogen? Dadendrang? De wens om toch koste wat het kost weer zichtbaar te worden? Wie het weet, mag het zeggen. Zeker is wel dat ik me, vanaf het moment dat ik het besluit had genomen, een stuk beter voelde. Het leek alsof mijn bloed weer begon te stromen. Mijn spieren stonden op scherp. De adrenaline suisde in mijn oren. Zoals ik al vertelde, was de uitvoering relatief eenvoudig. Ik moest alleen het juiste moment afwachten.

Dat diende zich al snel aan. Bij ons bureau is het de gewoonte successen met klanten te vieren. Dat is goed voor de onderlinge relatie en verhoogt de gunfactor. Aangezien wij de kiem voor een nieuwe opdracht al bij de afronding van een oude opdracht leggen, is het commercieel uitermate verantwoord om bij het halen van mijlpalen flink uit te pakken. Uitgangspunt is dat wij blij zijn als de klant blij is. Dat betekent dat we zoveel mogelijk aansluiten bij zijn wensen. Ook als het gaat om het vieren van een feestje. Nou zijn er natuurlijk klanten die het liefst met het hele team een borreltje drinken of met een klein clubje gaan eten bij Ron Blaauw in Amstelveen. Ik heb het ook wel meegemaakt dat een klant het liefste naar Ajax-PSV wilde of, maar dat zijn uitzonderingen, naar jazz in het Muziekgebouw aan het IJ. Maar er zijn er ook bij die zijn blijven hangen in de jaren tachtig.

Bij zulke gevallen maken wij altijd een zorgvuldige afweging. Hoe gaan wij om met het volgende ethische dilemma? Vertellen wij onze hoog gewaardeerde klant dat de tijden van Yab Yum voorbij zijn en dat wij het ons, met onze hoge standaarden, niet kunnen veroorloven gezien te worden op de Wallen in Amsterdam? Of knijpen wij een oogje dicht, vermommen ons in spijkerbroek en t-shirt en go with the flow? Ik heb een paar keer bij dergelijke besprekingen gezeten en ik moet zeggen, het is me niet tegengevallen. Een aantal van mijn collega’s heeft oprecht problemen met hoerenbezoek. Toch heb ik nog niet meegemaakt dat wij kozen voor de confrontatie-optie. Ogen dicht is de gehanteerde voorkeursstrategie.

Vrijdagavond zou het zo ver zijn. Het was al enige tijd niet voorgevallen dus iedereen was wat nerveus. Om misverstanden te voorkomen: Vrouwen gaan niet mee naar dergelijke evenementen. Ook niet vrouwen die zich gedragen als onopvallende mannen. Dat is voor alle betrokkenen een brug te ver.

Waarom ik besloot het hele avontuur zelf uit te voeren is me een raadsel. Ik had een privé-detective kunnen inhuren. Ik had de ethische commissie of de vertrouwenspersoon kunnen inschakelen of nog beter het hele voorval aan de internationale board kunnen melden die overwegend uit preutse Amerikanen bestond. Maar al deze opties heb ik zelfs de revu niet laten passeren. Ik ging er in hoogsteigen persoon op af.

Tijdens deze fase van de onderneming wist ik niet of ik moest lachen of huilen. Zoals iedereen weet zijn vrouwen alleen altijd welkom in sexclubs. Uitsmijters bejegenen een man zonder gezelschap met argwaan,  maar leggen een goed gevormde, sexy geklede vrouw geen strobreed in de weg. Die hobbel zou ik dus makkelijk kunnen nemen. Het was het voortraject dat mij de nodige hoofdbrekens kostte. De centrale vraag was wat ik in godsnaam aan moest trekken. Internet bood geen uitkomst. In geen van de uitdossingen die ik tegenkwam zou ik me durven vertonen. Toen herinnerde ik me een gesprek tussen mijn zuster en een vriendin van haar. Het was laat op de avond tijdens een verjaardagsfeestje en zij waren aangeschoten en dus openhartig. Af en toe dacht ik terug aan dat gesprek vanwege het woord dat ik toen voor het eerst en overigens ook laatst in mijn leven hoorde: blote billen jurk. Het bleek te gaan over een jurk waarin de draagster geheel gekleed is op haar achterwerk na. Dat nu leek mij precies de juiste keuze voor mijn plan. Zo lang ik met mijn rug naar de muur stond of zat zou mij niets gebeuren.

Ze herkende hem van achteren. De kleine iets gekromde man met zijn te korte broek, sandalen, windjack en hoog opgeschoren grijze haren. Twintig jaar had ze hem niet meer gezien. Was het zijn houding? De manier waarop hij zich voortbewoog? Was het haar intelligentie? Eén en één is twee? Zijn zoon woont in deze stad en bij hem is hij vast aan het bijkomen van de gebeurtenissen? Of was het haar instinct? Was zij als een hond die zijn baasje ruikt zelfs zonder hem te zien?

Toen ze vanochtend opstond was ze vol goede voornemens. De vlag moest uit. Ze had bij de Dokkumer Vlaggencentrale een extra grote vlag besteld en was bij het oefenen op steeds nieuwe tegenslagen gestuit. De kikker waaraan het touw moest worden bevestigd bleek te hoog, het touw was verrot en een nieuw touw ging niet door het oogje bovenaan de mast. Er had een hoogwerker aan te pas moeten komen om de gebreken te kunnen corrigeren. De vlag en de mast waren gelukkig op tijd klaar. De meeste mensen zouden andere prioriteiten gesteld hebben. Als je net een nieuw huis hebt wil je vooral dat de verwarming het doet, de muren geschilderd zijn en de vloeren goed liggen. Zo niet zij. De perfecte vlag moest op 14 augustus halfstok en op 15 augustus helemaal uit hangen. Het lukte. Natuurlijk.

Na het ontbijt ging ze hardlopen. Ze kon kiezen. Daar waar zij haar nieuwe huis had gekocht, lagen aan alle kanten parken en bossen. Ze koos voor het prachtig gecultiveerde landgoed waarop een wetenschappelijk instituut was gevestigd. Ze rende door lanen van rodondendrons, over witte bruggetjes, langs beschaafde kinderspeeltuintjes, via een rozentuin, een kruidentuin, een Franse tuin, de boswachterswoning en een donker bos naar de oefentrimbaan. Daar vlak voor ze de bocht terug wilde nemen, zag ze hem lopen.

Tijdens de herdenking regende het. Zoals het hoort. Van die heel zachte regen. De aanwezigen hadden de poncho die op de stoelen lag aangetrokken. Langzaam raakte het publiek bedekt onder een laag hele kleine druppeltjes. Bij het monument stond de zanger. Hij vertelde het verhaal over zijn moeder. Gestorven in het kamp. Vlak na zijn geboorte. Op een kar gelegd en in een kuil gegooid. De zanger had op geen van zijn vragen ooit een antwoord gekregen.

Het doodsbericht bereikte haar via een email van een oud klasgenoot. Contacten die vroeger verwaterden bleven tegenwoordig actueel. Internet zorgde ervoor dat mensen elkaar virtueel konden zoeken, vinden en ontmoeten. Zij hield meer van de charme van de weemoed, de heimwee en de onvervulde verlangens. In deze nieuwe wereld was nauwelijks plaats voor melancholie. Wil je iets? Zoek je iemand? Geen vraag bleef onbeanwoord, geen verlangen onvervuld.

Nu ze het wist, was er geen ontkomen meer aan. Ze moest in actie komen. Naar de herdenking gaan, was uitgesloten. Een kaart sturen het minste. Aan hem. Zijn vrouw was dood. Het was bijna vijfentwintig jaar geleden dat ze eindexamen had gedaan. Een overijverige klasgenoot zou binnenkort ongetwijfeld het initiatief nemen voor een reünie. Zij, de lerares Latijn. Hij, de leraar Grieks. Ze zag ze voor zich alsof de tijd had stilgestaan.

Nu ze het wist, liet het haar niet meer los. Ze was weer terug in de schoolbanken. Geïnteresseerd, ijverig, leergierig, ambitieus. Trots dat ze op het gymnasium zat. En verliefd. Op de leraar. De affaire duurde niet vreselijk lang. Alles bij elkaar ongeveer een maand of drie. Maar daarna was haar leven nooit meer hetzelfde geworden. Het afscheid van een idyllische jeugd. Wie wist er van? Zoals dat gaat met die dingen. Niemand en iedereen. Heftige emoties zijn als een onderstroom die de meeste mensen niet zien, maar wel voelen. We lijken te veel op elkaar om zulke zaken te missen.

Het had een verstandige keuze geleken. Om er verder geen woorden aan vuil te maken. Datgene waarover wordt gezwegen, heeft niet bestaan. Woorden van een wijze man. Een citaat van de oude Grieken. Dacht ze toen. Later, veel later pas, begreep ze dat het omgekeerde waar was.

Het ging harder regenen. Op de poncho’s na waren alle bezoekers, ook de eregasten op de eerste rij, onbeschermd. Vanwege televisieopnames mocht niemand een paraplu opsteken. Een leerling van een betrokken middelbare school hield een speech. Zij kon geen sympathie opbrengen voor de verbinding die hij probeerde te leggen tussen een vriend met een dwarslaesie opgelopen bij het skiën en de gemartelden in de kampen. Het Indische Onze Vader bracht verlichting.

Tegen haar sprak hij honderduit. Soms zat zijn zoon vertwijfeld te luisteren naar de gesprekken die zijn vader voerde met zijn kleindochter. Hij hoopte dat het kind er niet veel van verstond en begreep. Toch stopte hij zijn vader niet. De woordenstroom was dwingend. De noodzaak om te spreken overduidelijk. De zachte, gehaaste, dromerige toon onontkoombaar. Hij voelde een vreemde jaloezie voor het kind op schoot.

“De hele dag moesten we werken aan de spoorbaan. We waren allemaal graatmager omdat we aan de diaree waren. We kregen niets gezonds te eten. Dus waagden we overdag ons leven. Langs de kant van de spoorweg groeiden rode pepers. Die bevatten veel vitamine c. We aten ze rauw op. De rode pepers hebben ervoor gezorgd dat ik levend uit het kamp ben gekomen.”

“Je moet je een meters langs sloot voorstellen. Boven die sloot is een plank gemaakt. Op die plank moesten we gaan zitten om onze behoefte te doen. Het was lastig op die plank je evenwicht te bewaren. Vooral om we allemaal zo zwak waren. In de sloot lagen bergen poep. Geen gewone, harde poep, maar een soort modderstroom van groene poep. De meeste van ons waren aan de schijterij. Ik heb vaak gezien dat iemand uitgleed en in de poep viel.”

“De Japanners waren niet kleinzielig. Regelmatig moesten we uren in de hete zon staan. Meestal omdat iemand van ons iets fout had gedaan. Ze straften ons collectief om ons af te schrikken. Als er in hun ogen iets echt ergs was gebeurd, moesten we op appèl gaan staan bij de vlag en trokken zij de dader naar voren. Zonder pardon sloegen ze hem bont en blauw. Of erger. Ja, ik heb gezien dat een Jap een man zijn hoofd afhakte.”

Zijn vader die na de oorlog nooit een hap eten zou laten staan. Die zeker twintig kilo te zwaar was en genoot van alles wat het leven hem te bieden had. Zijn vader bij wie tijdens het eten van de vele Indische maaltijden het zweet langs de wangen gutste omdat hij steevast veel te veel sambal opschepte. Zijn vader, de man die altijd lachte. Zijn vader, de verhalenverteller?

Ze las de tekst op de rouwkaart. “Ze is overleden vijfenzestig jaar na de bevrijding van het Koninkrijk der Nederlanden. Jammer genoeg heeft ze de herdenking net niet meer mogen meemaken. De jaren in het kamp hebben haar gemaakt tot wie ze was. Een onafhankelijke geest en een vechter.” Haar rivale was dood. Ze glimlachte bij dat idee. Alles stroomt. Dat was één van zijn stokpaardjes geweest. Vijf jaar lang. Minstens zes uur per week. Maar nu stroomde helemaal niets meer. Ze zou zelfs niet begraven worden, maar gecremeerd. Weinig kans nog op beweging.

Heel kort nadat de grootvader was begonnen met spreken, zweeg hij alweer. Het leek alsof hij zo van zichzelf was geschrokken dat hij definitief besloot geen woord meer te zeggen. Het zou ook kunnen dat hij zich zo schaamde voor zijn oprispingen dat hij het liefst onder de grond wilde kruipen. En dat deed hij dan ook. Tijd voor het stellen van vragen was er niet meer. Het Grote Zwijgen nam zijn aanvang.

Nadat ze de vlag had uitgehangen was ze gaan hardlopen. In het park was het heerlijk koel en rustig. Ze zag haar eigen ademhaling in de lucht en hoorde het knisperen van de bladeren en takjes op de bodem. Vlak na de trimbaan zag ze iemand lopen en ze wist dat hij het was.

David de Jonge zette zijn auto liever niet in parkeergarages. Het was niet dat hij last had van claustrofobie. Maar enigszins ongemakkelijk voelde hij zich wel. Onder de grond rook het naar benzine. Die dampen konden nergens naartoe. De plafonds waren vaak merkwaardig laag. Daardoor kreeg hij de neiging zijn hoofd iets te buigen. Hij begreep niet chauffeurs hun auto zonder krassen en deuken dagelijks in en uit een parkeergarage reden. In zijn ogen waren de in- en uitritten te smal. De vakken te nauw.

Vandaag was deze afkeer van garages een handicap. David kon geen plek vinden om zijn auto te parkeren. Hij was al drie keer rond het gebouw gereden, maar overal stond het vol met auto’s. Het was niet zomaar een bedrijventerrein. Stad, regio en waarschijnlijk ook het Rijk hadden hun best gedaan om op deze plek het meest prestigieuze science park van het land neer te zetten. Vanaf de snelweg zag het er indrukwekkend uit. Architecten hadden zich mogen uitleven op hoge kantoorkolossen met vrolijke LED-verlichting. Hier, op straat, was er weinig verschil te merken met de andere locaties die hij zo vaak bezocht. Onpersoonlijke straten, zakelijke horecavoorzieningen. Het was alleen allemaal net iets nieuwer en hipper. Voor zo lang dat duurde. 

Vlak voor hem reed onverwachts een auto weg. Met een soepele beweging draaide David opgelucht zijn auto in het lege vak. Hij was vlak bij de plaats van bestemming. Bij het uitstappen, voelde hij iets breken onder zijn voet. Hij liet zich vallen op zijn stoel en zag op straat een gebroken ei met daarin een vochtig, harig bolletje liggen. Nog voor hij zich realiseerde wat het was, had hij al een besluit genomen. Hij stopte het in zijn zak. Dit alles volgens David zijn devies: Als je geen tijd hebt om na te denken, moet je handelen.

Zonder verder oponthoud haastte David zich naar het adres waar hij om tien uur had afgesproken. De ingang van het kantoor maakte een desolate indruk. De grote glazen pui schoof bijna onhoorbaar open toen hij erop af liep. Achter de pui bevond zich een kleine tochthal. De entree naar de grote ontvangstruimte. In beide vertrekken was geen levende ziel te zien. Het geheel maakte de indruk alsof de bewoners van het pand met grote spoed waren vertrokken. Met achterlating van al hun spullen. Om de ontvangstruimte te kunnen betreden moest David een grote zilverkleurige schijf bedienen. Onder de schijf bevond zich een bordje met uitleg over de systematiek van het draaien en drukken. Een paar seconden gebeurde er niets in de doodstille hal. Toen gleden tergend langzaam de deuren open.

David stapte binnen in een modern ingerichte ruimte. Nergens was iemand te zien, maar toch ademde alles de aanwezigheid van mensen. De hal zag er gezellig uit. Hoekjes met kleurig kinderspeelgoed, felrode en groene banken en manshoge zijden zonnebloemen. De eenentwintigste eeuwse wachtruimte van een privé ziekenhuis op zondagmiddag. David gaf niet toe aan de twijfel die hij voelde. Hij drukte op de knop van het liftpaneel en wachtte. Met zijn voet tussen de deur stelde hij vast dat nummer 239 zich op de vijftiende etage bevond. Enigszins gerustgesteld stapte hij naar binnen. Boven aangekomen realiseerde David zich dat iets mis was gegaan. Nadat hij de lift uit was gestapt, een deur achter hem dicht was gevallen bevond hij zich in een lege ruimte. Ergens in de verte hoorde hij zacht een radio. Hij draaide zich om en zijn adem stokte in zijn keel. Was er een weg terug?

Buiten hervond hij zich. Hij stapte bij het tegenoverliggende kantorencomplex binnen en vroeg naar nummer 239. “Dat ligt hiertegenover meneer. Bij welke bedrijf moet u zijn?” “Ik heb een afspraak bij Deficom.” Aha, dat bevindt zich in het tweede gebouw aan u linkerhand.” Gerustgesteld bedankte David de werknemer van de bewakingsfirma.

In het betreffende gebouw bevonden zich een tiental bedrijven. Maar nergens zag David de naam van het bedrijf waar hij een afspraak had. Net toen hij had besloten zomaar ergens aan te bellen, schoot een elegante jonge dame hem te hulp. “Moet u bij Deficom zijn? Ja, die hebben nog geen naamplaatje en deurbel en niemand van de andere bedrijven mag voor ze open doen. In verband met de beveiliging. Dat begrijpt u wel. En nu staat iedereen hier op straat. Tot er iemand aankomt die er wel zonder pasje of speciale toestemming in kan. Ik kom u redden.” De deuren zoefden open. David volgde de vrouw in de lift naar de elfde etage.

“Met wie heeft u een afspraak?” “Met de heer Achmatova.” “De heer Achmatova is nog niet binnen. U kunt plaatsnemen op één van de bankjes in de hal. Wilt u iets drinken?” David bevond zich in een ruimte waar alles nieuw was. Werknemers stonden het plastic van hun bureus te trekken en electriciens waren bezig laptops aan te sluiten. Op niets was bezuinigd. Het duurste marmer en de mooiste houtsoorten waren gebruikt. Op diverse plekken stonden prachtige bronzen en hingen smaakvolle schilderijen. David schoof ongemakkelijk heen en weer op de strakke designbank. Het ei dat hij in zijn zak had gestopt hinderde hem, maar hij durfde nu niet weg te lopen. Vanuit een ooghoek zag hij een dame op hem afkomen. Toen ze voor hem stond, keek hij op. Boven hem uit torende een voluptueuze gestalte. Ze was geheel in het zwart gekleed. Even dacht hij dat ze een Gothic was, maar daarvoor keek ze te scherp uit haar ogen. Met een zwaar Russisch accent heette ze hem welkom. In één adem excuseerde ze zich voor de rommel, het bedrijf was gisteren verhuisd en meldde ze dat de heer Achmatova helaas op het laatste moment andere belangrijke besognes had.

Achmatova was gisteren uit Frankrijk teruggekomen. Daar had hij een Franse voetbalclub overgenomen. Het had groot in de kranten gestaan. Hoewel de club blij was met de financiële injectie, waren er toch vragen gesteld over de achtergrond van deze onbekende Rus. Van wie had hij de vergunningen gekregen waarop zijn bedrijf draaide? Hoe had hij zijn geld verdiend? Van wie was de club eigenlijk echt? Op de persconferentie waar de oude voorzitter de hamer aan de nieuwe eigenaar overdroeg, waren kritische journalisten geweerd. De aanwezigen hadden vooral de liefde van Achmatova voor Frankrijk, hij bezat al jaren een vakantiehuis in de heuvels bij Cannes, en voor het voetbal benadrukt.

Kennelijk hadden deze gebeurtenissen het schema van Achmatova verstoord. In ieder geval was hij niet in zijn nieuwe kantoor. David wist dat hij geen keuze had. Vanmiddag om half één kreeg hij een nieuwe kans. Hij liep terug naar zijn auto, haalde het ei uit zijn zak en legde het voorzichtig naast zich op de passagiersstoel. Hij reed rustig over de ringweg naar het havengebied. Daar bij de loodsen en terminals moest het gebeuren. De opdracht van zijn leven.

In de wachtruimte van het gigantische gebouw keek hij uit over het water. In de verte zag hij vliegtuigen dalen en landen. In zijn binnenzak zat het vogeljong dat sloom en blind uit het ei was gevallen.

“Alles wat ze zeggen is waar. Ik ben nu 93 en hoef de schijn niet meer op te houden. Positief denken heb ik mijn hele leven al gedaan. De jaren die me nog resten wil ik als een realist door het leven gaan. Laat ik er helder over zijn. Er valt over het algemeen meer te huilen dan te lachen. Al die lachebekjes bekijk ik overigens sowieso met het nodige wantrouwen. Vaak lachen ze om andere mensen. Of ze lachen om te voorkomen dat ze gaan huilen. Of ze lachen van pure schrik. Of omdat ze zich geen houding kunnen geven. Kijk op de televisie. Al die politici. Die hebben geleerd dat het verstandig is om te lachen. Dat ze dan sympathieker overkomen. De meest vreselijke boodschappen brengen ze met een lach. Ik gruw er van.

Ik wil niet zeggen dat het lachen mij is vergaan. Maar nu ik aan dit, laatste, deel van het leven ben begonnen heb ik behoefte aan eerlijkheid. Behoefte is eigenlijk al een groot woord. Ik kan niet anders meer. Ik zal niet meer lachen als er niets te lachen valt en ook geen complimenten meer uitdelen als ik ze niet meen. We moeten met z’n allen eens goed nadenken over wat wij beschaving noemen. Het ene zeggen en het andere denken. Is dat beschaafd?

Ik wil mezelf niet beter voorstellen dan ik ben. Mijn hele leven heb ik iedereen naar de mond gepraat. Verteld dat ze goed, mooi, aardig, slim, beleefd en wijs waren terwijl ik daar zo mijn vraagtekens bij had. Je staat er versteld van hoe vaak mensen ongevraagd je mening vragen. In winkels bijvoorbeeld. Wat vindt u van deze jas mevrouw? En van deze schoenen? Met het winkelmeisje in je nek, is het duidelijk wat van je wordt verwacht. Ik doe er niet meer aan mee. Helaas kom ik niet meer in winkels, maar ook hier in dit tehuis is er genoeg te oefenen.

Ik hoef gelukkig niet uit te weiden over mijn situatie. Al  jaren staan de kranten er vol van. Ik wil wel graag kwijt dat ze regelmatig vergeten me eten te brengen. Ik beticht niemand van kwade opzet, maar het is wel vervelend. Ik drink dan een paar glazen warm water uit de kraan. Dan heb ik niet zo’n last van een hongergevoel. Om half vier krijg ik vaste prik een kop thee. Meestal is die zo vies en lauw dat ik het kopje in de planten leeggooi.

Ik klaag niet. Maar wind er ook geen doekjes om. Zeker sinds mij de schellen van de ogen zijn gevallen valt het leven hier niet mee. De groep heeft zich tegen mij gekeerd en ik weet dat het geen zin heeft je te verzetten tegen de wil van het collectief. Sinds kort eet ik dus alleen op mijn kamer. In de eetzaal kom ik niet meer. Ook ga ik niet meer mee met groepsuitjes. Ik kon mij nogal vermaken met busritjes door het Westland naar Scheveningen, maar de zee heb ik voor het laatst gezien. De leiding heeft een halfhartige poging gedaan de verhoudingen te herstellen, maar het tij was niet meer te keren. We zijn allemaal te oud om de wijste te zijn.

Mijn moeder is 98 geworden. Dus ik heb nog vijf jaar te gaan. Mijn moeder was een eerste klas kreng. Vooral de laatste jaren. Het was niet goed of het deugde niet. Maar eigenlijk was ze altijd al zo. Ontevreden. Ik was de jongste en ontelbaar vaak heeft ze me verteld dat ze me kon missen als kiespijn. Twee had ze wel genoeg gevonden. Wat moest ze met drie. Ze kreeg hoofdpijn van me. ’s Middags bleef ik thuis van school om haar schouders te masseren. De enige waar ik me bij thuisvoelde was mijn grootvader. Hij had een café, maar was eigenlijk kunstschilder. Alle schilderijen die in deze kamer hangen zijn van hem. 

Ik ben alweer vijftien jaar alleen. Na een huwelijk van vijftig jaar. Ja, je hoort het goed vijftig jaar. Ook daarover zal ik alleen nog maar de waarheid vertellen. Toen ik hem na vijf jaar kamp terugzag op Surabaya voelde ik niets. Dat leek me logisch. Ik was ondervoed. Al twee jaar niet meer ongesteld. Ik was blij dat ik nog leefde, maar had verder geen ambities of gedachten. Een uur vooruit kijken was het maximale dat ik kon opbrengen. Maar terug in Nederland, tien kilo aangekomen en met een op het oog normaal leven, voelde ik nog steeds niets. Ik keek naar mijn man en kon me niet meer voorstellen wat hij ooit voor mij had betekend. En dat is zo gebleven.

Je vraagt je misschien af hoe dat kan. Hoe houdt een mens zoiets vol? Het is angstaanjagend eenvoudig. Liegen, jokken, de schijn ophouden, jezelf voor de gek houden. Waarschijnlijk is het makkelijker dan eerlijk tegen jezelf zijn en daar de consequenties uit trekken. Zo leefde ik. Jaar in, jaar uit. En de tijd gaat snel. Dat heb jij nu nog niet zo door. Voor je het weet ben je twintig keer op Terschelling geweest en vijf keer in Parijs.

Sex hadden we allang niet meer. We hebben het nog even geprobeerd. Net terug in Nederland. Maar het was geen succes. Vanaf dat moment leefden we als broer en zus. Dat was het ergste. Ik kan je alleen maar adviseren er van te genieten nu het nog kan. Ze zeggen dat je de behoefte aan sex kunt sublimeren. Gesublimeerd zou de sex kunnen leiden tot nieuwe creativiteit. De prachtigste schilderen en de mooiste verhalen. Waarschijnlijk ben ik een uitzondering. Ik ben het blijven missen. Nee, het was niet de tijd om bevrediging te zoeken bij een ander. Dat kwam niet in mij op. Waarschijnlijk wel bij hem, maar daar heb ik toen niet over na willen denken.

Ik ben natuurlijk wel verliefd op hem geweest. Maar het was ook een vlucht. Van ons allebei. Zijn vader was jong overleden en hij werd opgevoed door een vreselijke oom. Ik wilde weg bij mijn moeder. We kwamen elkaar tegen bij dansles. Het was snel bekeken. Hij vertrok als militair naar Indië en ik bleef in Nederland om te werken als secretaresse. Toen hij zijn plek had gevonden trouwden we met de handschoen. Hij daar en ik hier. Ik stapte op de boot en arriveerde aan de andere kant van de wereld. Ik was zelfs nog nooit in België geweest. Van die paar jaar dat we daar samen gelukkig waren heb ik niets meer over. De Jappen hebben ons alles afgenomen. Sindsdien geef ik niet om spullen.  

Op zijn sterfbed kwam het hele verhaal eruit. Hij was als kind misbruikt door zijn oom en had vijf jaar lang een affaire gehad met een medewerkster van zijn kantoor. Dat neem ik hem nog het meest kwalijk. Dat ik hem niet eens meer de les kon lezen. Ik moest hem troosten omdat hij was vreemd gegaan. Kort daarna ging hij dood. Zeker tien jaar ben ik woedend geweest. Wat had ik aan die wetenschap? Nu weet ik beter. De waarheid overwint alles. Alleen als we eerlijk tegen elkaar durven zijn, hebben we echt contact met elkaar. Niet dat ik nog zit te wachten op contact. Wij hebben nu een gesprek, maar feitelijk luister jij, terwijl ik aan het vertellen ben. En dat is goed zo. Er zal een moment komen dat je dat zult begrijpen. In deze fase van mijn leven wil ik me niet meer verdiepen in de beweegredenen van anderen. Ik heb mijn handen vol aan mezelf.

Als ik mijn leven bekijk vanuit het perspectief van de waarheid, wordt alles anders. Ik zei al dat er bij nader inzien weinig te lachen viel, maar er zijn ook zaken die blijken mee te vallen. Dat zijn er meer dan je denkt. Het heeft even geduurd voor ik het durfde toegeven, maar het grote verdriet dat mijn leven beheerste, heeft niet bestaan. Terug uit Indië wilde ik niets liever dan een gezin stichten. Het liefste wilde ik drie kinderen. Maar het kwam er niet van. Ik weet niet precies waarom. Wellicht hadden we te weinig sex of had de kamptijd mijn vruchtbaarheid beschadigd. Het lukte niet. De buren, een paar vriendinnen, onze familie, iedereen leefde met ons mee. Natuurlijk spraken we er niet over, maar aan kleine dingen kon je merken dat ze medelijden met ons hadden. Ik had ook medelijden met mezelf. Echt nuttig heb ik me niet gevoeld in mijn leven. Een tak van een boom die niet verder groeit. Een dorre tak.

Daar kijk ik sinds kort heel anders tegenaan. Als ik heel eerlijk ben is het een zegen geweest dat ik geen kinderen heb gekregen. Kinderen verschaffen misschien tijdelijk een stompzinnig soort blijheid. Ze geven je permanent reden tot zorg en verdriet. Als ik om me heen kijk, zie ik geen huisgenoten die ongecompliceerd blij zijn met hun kinderen. Het verhaal is niet nieuw, maar bevreemdt toch als je er middenin zit. De meeste kinderen komen niet. Die hebben het opgegeven. Te druk, irritant, oninteressant. Sommigen presteren het om zo’n drie tot vier keer per jaar een uurtje langs te komen en weer anderen, een klein clubje, komt heel vaak. Die maken het leven van hun vader of moeder pas echt zuur met hun gezeik en gezeur.

Begrijp me goed, ik heb het niet over een platte buik of mooie volle borsten. Die houd je toch niet als je ouder wordt. Ook vind ik het niet belangrijk dat ik precies heb kunnen doen waar ik zelf zin in had. De begrippen ‘zelf’ en ‘zin’ zijn relatief. We zijn getraind om aan te voelen wat anderen willen. Om anderen tevreden te stellen. Om ons voortdurend aan te passen aan de wil en de wensen van anderen. Ik heb tot voor kort het onderscheid niet kunnen maken tussen wat ik wil en wat de mensen om mij willen of van mij willen. Ik vermoed dat ik niet de enige ben die daar last van heeft. Het gaat mij om iets anders. Existentieels. Ik hoef aan niemand verantwoording af te leggen. Alleen aan mezelf. Mijn woorden en mijn daden staan in geen enkel licht behalve dat van mijzelf. Er is er maar één die mij ’s ochtends in de spiegel aankijkt.”

Het was eigenlijk maar een klein pijpenlaatje. Als alle tafels bezet waren konden de gasten zich slechts met moeite door de ruimte bewegen. En toch bleven ze komen. Terwijl ze vanaf de straat konden zien dat er geen plek meer was. Ze duwden de voordeur open, die zolang zij het zich kon heugen al klemde, kwamen even op adem en schoven dan het zware gordijn open. Vervolgens ondernamen ze, vaak met z’n tweeën, de tocht naar de bar achterin de zaak. Daarbij botsten ze tegen tafels, schopten tegen stoelen zich ondertussen aan de lopende band excuserend. Achterin de zaak waren ze niet te beroerd om ze nog even aan de praat te houden. Daarna gebeurde het onvermijdelijke. De terugweg naar de voordeur. Behalve natuurlijk bij vaste gasten. Daarvoor was altijd plaats.

Meestal kwam ze om een uur of vier. Dan was de drukte van de lunch voorbij en was het nog te vroeg voor de borrel. Ook vandaag was ze er. Op haar favoriete plek bij het raam. Nippend aan een glaasje port keek ze tevreden naar buiten. De oude kastanjes kregen al gele plekken en drupten van de regen. Het was bijna herfst. Ze keek terug op een geslaagde zomer.

Die was al begonnen in mei. Warmer dan toen was het zelfs niet meer geworden. Iedereen was blij dat de lange winter voorbij was. De stad en de badplaats verheugden zich op wat komen ging. Maar met de aankondiging van de zomer, deed zich een oud probleem voor. Het begon met een klein berichtje in de stadskrant. Sinds er geen dagelijks nieuwsbulletin meer was, vervulde deze krant die voor drie kwart gevuld was met reclame een belangrijke functie met een groot publiek. De serieuzere weekkrant nam het bericht over en daarna was het hek van de dam. De sluizen gingen open en wekenlang ging het nergens anders over. Terwijl er toch heus zaken speelden die het meer waard waren om je over op te winden. Ook in deze welvarende stad waren voedselbanken gesticht. Bevonden zich straten waar vrouwen niet welkom waren in de café’s. Werden vriendelijke jongemannen spontaan in elkaar geslagen zonder opgaaf van redenen. Beraamden politici in achterkamertjes vreemde plannen en smeedden ze curieuze coalities. Toch was dat niet waar het publieke debat aan het begin van deze zomer over ging.

Het wordt tijd onze hoofdpersoon nader te introduceren. Paula des Tombes. Sinds haar geboorte inwoonster van deze schone stad. Paula kan terugkijken op een rustig leven. Het heeft haar aan niets ontbroken. Dat lijkt een voorrecht, maar is het niet in alle gevallen. Juist degenen die alles lijken te hebben, streven naar meer. Meer kan altijd. Het is maar welk perspectief je hanteert. Paula’s broer bijvoorbeeld was een ambitieus man. Zijn gedrevenheid heeft hem veel opgeleverd. Een huis in Nice, een appartement in NY, een landgoed in de Betuwe. Maar genoeg was nooit genoeg. Hij gokte en verloor. Hij bewoont nu een etage in het familiehuis aan een rustige straat in de mooie wijk waar hij en zijn zuster zijn opgegroeid.

Paula heeft het anders aangepakt. Je zou kunnen zeggen dat ze nauwelijks heeft bewogen. Zelfs bij nadere inspectie is er niet iets te vinden waartoe ze zelf het initiatief heeft genomen. Het leven overkwam haar. De indruk moet niet ontstaan dat Paula ontevreden of onbevredigd is. Buitenstaanders die met zogenaamd objectieve maatstaven het leven van Paula beschouwen, zouden kunnen denken dat ze veel heeft gemist. Het tegendeel is het geval. Paula is intens tevreden. Niets doen heeft haar vrede en rust gegeven. Van jongs af aan.

Ook is Paula geen vreemde vrouw geworden. Zo’n vrouw die we allemaal weleens zien lopen. Die meteen ons mededogen opwekt. Zo’n vrouw waarvan we vermoeden dat ze een niet verwerkte scheiding achter de rug heeft, die geen compensatie heeft gevonden voor haar onvruchtbaarheid, die tot op hoge leeftijd voor een kreng van een moeder heeft moeten zorgen. Driewerf nee. In tegenstelling tot velen van ons, had Paula geen wensen of verlangens die haar uit haar evenwicht konden brengen.

Tegenwoordig willen mensen zo graag genieten van kleine dingen. Een bloem die bloeit. Een vogeltje dat zingt. Voor sommigen van ons betekent slagen in het leven een mooi huis, een fijn bootje, een vakantiehuis in Toscane en drie lieve kinderen op het VWO. Pas daarna komen we eraan toe om ook de kleine dingen te zien. Meestal lukt dat dan niet meer. Bij Paula was deze eigenschap niet aangeleerd, maar aangeboren. Of, misschien een betere uitleg, het was Paula niet afgeleerd.

In het grote huis aan de stille straat in de lommerijke buurt lieten Paula’s ouders haar met rust. Dat wil niet zeggen dat ze kleine Paula verwaarloosden. Bij de opvoeding van de jeugd van tegenwoordig is aandacht alles. Beweegredenen, aandacht en actie. Voor de ouders van Paula hadden deze begrippen geen betekenis. Waarom Paula iets wel of niet wilde of deed hield ze niet bezig. Ze beschouwden haar wel, maar analyseerden haar niet. Ze keken naar haar zoals naar een sterke plant. Af en toe krijgt die wat water, maar verder redt die het wel. Zo groeide Paula onbevangen en onbeoordeeld op tot de vrouw die net een klein hapje neemt van haar hete bitterbal zittend aan haar geliefde tafeltje in het oude café-restaurant.

Een opvallende vrouw met een heldere oogopslag en grijze, strak in een paardenstaart gekamde haren. Omdat ze eerder mager was dan slank, deed ze denken aan een gepensioneerde balletdanseres, aan een balletlerares. Die indruk werd nog versterkt door haar kleren. Ze had de gewoonte zich geheel in het wit of lichtgrijs te kleden. Ook in de winter. Daardoor kreeg ze bovendien iets van een grijze duif of een zeemeeuw. Hoewel dat laatste wellicht wat vergezocht is.

Het is belangrijk het niets doen van Paula niet te verwarren met passiviteit. Dat ze geen overmoedige plannen maakte, geen overdreven ambities koesterde, geen blinde dadendrang had, betekent niet dat ze nooit in actie kwam. Als het nodig was kon ze wel degelijk handelen. Van jongs af aan kon ze slecht tegen onrecht, bedrog en geweld. En zo nu en dan greep ze in.

Omdat in beweging komen niet haar gewoonte was, kostte het de nodige moeite. Het waren de enige momenten in haar leven dat ze wakker lag, buikpijn had van de zorgen, geen trek in eten. Ze beraamde plannen, piekerde, wikte en woog. De doorslag gaf het slachtoffer. Meestal hulpeloos en reddeloos zonder haar. Onmondig in de strijd tegen onzichtbare krachten die over onuitputtelijke bronnen beschikten. Vooral dieren mochten zich verheugen in haar aandacht. In de loop van de jaren had ze geleerd dat het niet alleen de liefde voor de zwakke was die haar dreef. De bevrediging die succesvol handelen haar bracht had niets met een ander te maken, maar alles met haarzelf. Deze kennis zorgde ervoor dat ze nog langer nadacht voor ze een goede zaak adopteerde. Het was zeker vijftien jaar geleden dat ze ergens voor op de bres was gesprongen. Tot deze zomer.

Het leek alsof de vogels er dit jaar vroeg bij waren. Ze zat op haar overdekte balkon en luisterde naar de geluiden. Achterin de diepe tuin stond een grote beuk die binnenkort rood zou kleuren. In de aangrenzende tuinen stonden hoge berken en kastanjes. Met haar geoefende oren hoorde ze verschillende zangvogels hun fraaie liederen zingen. Boven alles uit hoorde ze de meeuw. Meeuwen waren er in soorten en maten en allemaal maakten ze andere geluiden. Deze meeuwen krijsten oorverdovend. Als ze haar ogen sloot zouden het net zo goed scherp huilende babies, een kudde agressief blaffende jonge honden of nasaal schreeuwende katten kunnen zijn die overvlogen. Kippenvel kreeg ze er van. En zij niet alleen. De halve stad kwam in opstand.

In de loop van de zomer bleek het nog veel erger te kunnen. De meeuwen waren overmijdelijk en alom aanwezig. De bewoners van het deel van de stad dat grensde aan de zee probeerden zich tevergeefs te beschermen. Opengerukte vuilniszakken lagen her en der op straat, kleine kinderen konden niet meer onbeschermd buiten spelen, auto’s raakten ernstig beschadigd, mensen werden humeurig en ongelukkig omdat ze ’s nachts niet meer konden slapen. De situatie leek onhoudbaar.

Zo niet voor de gemeenteraad van deze stad. Het overgrote deel van de vertegenwoordigers van de bevolking had niet het voorrecht om in de comfortabele buurten te wonen waar het meeuwenleed zich concentreerde. Op zijn best stonden ze er neutraal tegenover. Waarschijnlijker was dat ze zich stiekem verheugden over de situatie. Hadden deze rijkelui niets anders om zich zorgen over te maken? Dit was de kans waar ze al lang op hadden gewacht. Al snel bleek dat in de raad een meerderheid ontstond om de arme, kwetsbare zeemeeuwen te beschermen tegen inwoners die het vooral met zichzelf bezig waren. Hoewel de dierenpartij maar twee zetels bezat, had deze argumentatie binnen de kortste keren de hele raad overtuigd.

Paula hield zich afzijdig van het geruzie en de drukte. Zij merkte alleen dat naarmate de zeemeeuwen oprukten, de kleine zangvogels zich meer en meer terugtrokken. Tevergeefs lag ze ’s nachts te wachten op de geluiden van de struikrietzanger, de tjiftjaf, de fluiter, de fitis en de mus. Ze sliep slecht en ook overdag kon ze haar draai niet vinden. De meeuwen liepen over het dak van het huis. In iedere ruimte van het huis bevond zich een open haard die via het rookkanaal met het dak in verbinding stond. Zo kon ze ook binnen nergens ontsnappen aan het woedende schreeuwen.

Langzaam rijpte in het hoofd van Paula het idee dat handelen noodzakelijk was. De missie was onmiskenbaar. De slachtoffers waren machteloos en de autoriteiten weigerden ze te beschermen. De middelen waren lastiger te bedenken. Eén voor één verwierp ze de ideeën als te dieronvriendelijk, te opvallend of te weinig effectief. Een film op televisie over agressieve vogels die het leven van de boeren in het Noorden van Australië onmogelijk maakten, bracht uitkomst. Ze zou de meeuwen vermoorden met giftig zaad.

Het had veel energie gekost. Ze wilde de operatie met ijzeren discipline en volgens een strak schema uitvoeren. Geen straat ontsnapte aan haar aandacht. Al snel begon ze resultaten te zien. Op verschillende plekken in de stad lagen dode meeuwen. De kranten schreven over een geheimzinnige ziekte. De bewoners kon het niets schelen zolang de gemeente de kadavers snel opruimde. En zo geschiede.

Paula onderdrukte gevoelens van triomf die ze niet vond passen. Ze dacht aan de zangvogels die volgend jaar vast haar tuin weer zouden bevolken en nam nog een klein slokje port.